Spreken over God
Bijdrage van gastschrijver
dinsdag, 30 augustus 2011

Dr. G.W. (Gert) Marchal hield voor de Confessionele Kring in Apeldoorn een lezing met als titel 'Spreken over God'. Hij kijkt daarin naar het belangrijke werk dat de protestantse synode doet wanneer het om de vraag naar het Godsbestaan gaat. God als de hoogste werkelijkheid en de diepste grond. Marchal sluit aan bij facetten uit de confessionele brochure 'Spreken over God'.

 

Spreken over God

 

Om de toon te zetten

Een aantal citaten:

Als er geen God is, / god, wat is er dan? (eerste regels van een gedicht van Leo Vroman, geb. 1915).

Ik heb theologen over God horen praten zonder dat zij zich schaamden. Ze waren namelijk vergeten dat God meeluisterde (E. Rosenstock Huessy, 1888-1973).

Soms lijkt het theologisch debat te gaan over iemand die er niet bij is. Dan loopt de theologie gevaar een vorm van roddelen te worden (G.G. de Kruijf, geb. 1952). 

Wees alstublieft in ons leven even werkelijk als de armen van onze moeder, als het gezicht van onze liefste (J.T. Bakker, geb. 1927).

 

Pastorale handreiking 

Achtergrond                                                                                                      

Tijdens de synodevergadering van de PKN, in november 2010, werd de nota Spreken over God unaniem(!) aanvaard. Deze handreiking werd, op verzoek van het moderamen van onze synode, geschreven door de scriba, dr Arjan Plaisier. Hij schreef dit stuk na zorgvuldig overleg met diverse leden van de kerk, onder meer met hoogleraren en docenten van de PThU (Protestantse Theologische Universiteit).

 

Een achterliggende reden is ook de commotie rondom ds Klaas Hendrikse (getuige zijn boek: Geloven in een God die niet bestaat). De Classis Zierikzee besloot geen tuchtprocedure tegen deze predikant in gang te zetten; wel werd de synode gevraagd om in de kerk het gesprek over het spreken van God te stimuleren. [Opmerkingen terzijde, die naar mijn besef wel het hart van de Zaak raken: 'Ach, het is al eerder gezegd: 'God' bestaat niet. Hij bestaat alleen voor zover Hij voor ons bestaat, in zijn openbaring, voor zover Hij aan ons leven openbaart dat Hij bestaat, voor zover Hij ons ontrukt aan de dood en de onderwereld, het dodenrijk en de hel' (Th.J.M.Naastepad, 1921­1996).

 

Nog een paar uitspraken om niet te vergeten: Al zouden de godsbewijzen waterdicht zijn, het zal me allemaal best zijn, ik ken God op een andere manier. Ik hoef toch niet de geboorteakte van mijn vrouw te hebben ingezien om te geloven dat ze bestaat en om haar lief te hebben? En al krijg ik duizend akten van mensen onder ogen dan zegt dat nog niets van mijn relatie tot hen (A. v.d. Beek, geb. 1946).

 

Het is dwaasheid te beweren, dat er buiten de mens niets is; die bewering zou slechts de slotsom van een oneindig onderzoek kunnen zijn (Gabriël Marcel, 1889-1973)]. 

 

In de Inleiding lezen we onder meer: 'Spreken over God is allerminst vanzelfsprekend. (...) Dat geldt in bijzondere mate voor onze tijd. Voor veel mensen, ook binnen de kerk, is het niet (meer) duidelijk wie God is of waar we God tegenkomen. Wat moeten we dan over Hem zeggen? Die verlegenheid komt op omdat Gods aanwezigheid niet wordt ervaren en Hij de grote afwezige lijkt in onze wereld. Bestaat Hij dan wel? Of is God niet meer dan een menselijk denkbeeld? (...) Daar komt bij dat er tegenstrijdige visies over God naar voren worden gebracht. Voor de een is God 'Iets', voor de ander 'Iemand'. (...) Wat kun je nu met zekerheid over God zeggen, bij al deze tegenstrijdigheden? Of gaat God zozeer ons begrip te boven dat je er helemaal niets over kunt zeggen en elke uitspraak een slag in de lucht is?' (9).

 

De handreiking is bedoeld 'als hulp om vragen, ervaringen en inzichten met elkaar te delen, en vooral om het gesprek in de kerk en in de gemeente te stimuleren' (1). 

 

Opzet

Fundamenteel is: in alles zijn en blijven we afhankelijk van God, die zichzelf ter sprake brengt. Alleen door steeds weer te luisteren, kunnen we ook wat zeggen. Een en ander spreekt niet vanzelf. Is er dan iets te horen? Zo ja, waar en hoe dan? Daarmee verbonden: is er iets (gemeenschappelijks) te zeggen?

 

[Weer een aantal citaten om elkaar en de situatie waarin wij leven scherper in beeld te krijgen. In de christelijke traditie is theologie te definiëren als: het spreken over God op grond van het spreken van God (C.J. Labuschagne, geb. 1929). God is de vreemde God van een man uit Israël zonder gedaante noch heerlijkheid Hij kan alleen glans krijgen door Hem op te poetsen met onze idealen. Maar dan is Hij zichzelf niet meer (A. v.d. Beek). Ik zeg wel eens, als mij dat op z'n kortst gevraagd wordt: mijn god is een dood gemartelde dissident (Willem Barnard, 1920-2010). God I dit woord waarmee wij U noemen I is bijna dood en krachteloos geworden I vluchtig en leeg I en vergankelijk als ieder mensenwoord II Ik bid U I dat het opnieuw van kracht mag zijn, I een levend woord waarin wij weten I wie Gij zijt I een vriendennaam (Huub Oosterhuis, geb. 1933).

God is te goed om overal goed voor te zijn (dr Okke Jager, 1928-1992)]. 

 

De handreiking gaat zorgvuldig op deze kwestie(s) in. Het geschrift telt 5 hoofdstukken, die als een snoer parels (ik heb grote bewondering voor de denkkracht en de taalvaardigheid van dr Plaisier!) met elkaar verbonden zijn:

 

hoe komen we ertoe over God te spreken? (1); hoe $preken we goed over Hem? (2); wat heeft dit spreken met onze ervaring te maken? (3);  waarom ervaren velen weinig van Hem? (4); hoe kunnen we belijdend spreken? (5). 

 

De hoofdstukken in vogelvlucht

1 Hoe?

De kerk is een gemeenschap, waar niet alleen gesproken wordt over God maar ook geleefd wordt met God. 'Spreken over God wordt overgedragen door vaak eenvoudige mensen die de woorden hebben gedeeld en er naar hebben geleefd. Zij hebben iets uitgestraald van God. Zo ontstaat een levende traditie die steeds weer op nieuwe mensen wordt overgedragen. Daarom spreken telkens opnieuw mensen over God. Is er een betere reden voorstelbaar?' (15).

De Bijbel is het 'bronboek', het 'woordenboek van God'. 'In en door deze woorden hebben vrouwen en mannen de stem van God zelf vernomen en zijn er diep door geraakt' (15). Die woorden hebben een levend centrum, een kloppend hart, zijn vlees en bloed geworden in Jezus Christus: het Woord (Joh. 1:14; Hebr. 1:1-2), sprékend God. Ons spreken is tenminste drievoudig: over, van en tot I met God. Dat spreken gebeurt niet voor de vuist weg. We laten ons gezeggen door de Bijbel, die bron en norm is. Velen zijn ons voorgegaan. Daarom gaan we zorgvuldig in de leer bij de traditie. 

 

[Een aantal citaten, ter overweging. Alle rechte kennis van God wordt geboren uit de gehóórzaamheid geboren (Calvijn, 1509-1564). Kennisse Gods is in haar eigenlijke wezen, in haar heiligste diepte niet anders dan levensgemeenschap met God (J.H. Gunning, 1829-1905). De meeste mensen spreken over God te veel in de derde persoon. Zij discussiëren over religieuze vragen, over het bestaan van God, over de zin van het leven, en over andere vragen van wereldbeschouwelijke aard (...) Het valt echter op, dat zij in al hun discussies God steeds maken tot een voorwerp van hun beschouwingen. Hij is geen 'Gij', geen persoon tegenover hen tot wie zij zich richten. Daarom komen zij met hun belangstelling voor godsdienst en wereldbeschouwing ook zo weinig ver. (...) Het eerste woord in de Heilige Schrift waarin over God gesproken wordt in de derde persoon, is het woord uit het verhaal van de zondeval: "God heeft zeker wel gezegd...? ", (H. Thielicke, 1908-1986).

Een mens kan zoveel over God spreken en denken, dat hij vergeet in Hem te geloven, Hem te dienen, zich in Hem te verheugen (A.A. van Ruler, 1908-1970).

 

Prof. H.Berkhof (1914-1995) stelde de vraag aan de orde in zijn inaugurele oratie te Leiden (1960): God voorwerp van wetenschap? In zijn boek Christelijk Geloof vermeldt hij op het titelblad een gedicht van Tennyson: Dur little systems have their day / They have their day and cease to be / They are but broken lights of Thee / And Thou, o Lord, art more than they.

In dat boek lezen we onder meer: ..dat alle rechte denken over God opkomt uit de ontmoeting met God en gericht is op de ontmoeting met God. 

 

Er was eens een man die op het punt van verzuipen nog eenmaal 'help' riep. Academici, op de oever staand, belegden een discussie over de vraag waarom de man niet de meervoudsvorm van de gebiedende wijs gebruikte, namelijk 'helpt'. Psychologen en filologen konden het daarover niet eens worden. De psychologen meenden dat de man hen, op de oever staand, als een collectieve entiteit zag. De filologen meenden dat de onderscheiding welke door de uitgang -t wordt aangebracht een uitvloeisel is van de renaissancistische grammatica, maar dat de spontane spreektaal die niet (er)kent. Men besloot zich tot de man zelf te wenden voor nadere informatie. Maar hij was er niet meer (W.Barnard, 1920-2010).

Wat er in de theologie niet klopte? Dat het allemaal moest kloppen (Fons Jansen, 1925­-1991).] 

 

Goede woorden

Als leerlingen, luistervinken bij de gratie Gods, oefenen we ons voortdurend om goede woorden te spreken. De Bijbel spreekt over God in persoonlijke, zelfs zeer mensvormige termen. Hij kent, bemint ons, handelt met ons. Dergelijke werkwoorden veronderstellen niet iets, maar iemand. Er wordt ook vrijmoedig over de ogen, de oren, de handen van God gesproken. Daarbij hoort ook het drievoudig spreken over God: als de Schepper 'draagt en koestert God de schepping en waakt Hij erover dat ze niet terugvalt in het niets' (23); als Verlosser daalt God af, verschijnt Hij in de nederige mens van Nazareth; als Vernieuwer blaast God zijn Geest in deze wereld in.      

Deze God is aanspreekbaar, heeft een Naam, niet door ons bedacht: HEERE (Ex. 3:14), dat wil zeggen: Ik ben bij, met u, altijd en overal. Een Naam en een Gezicht, ten diepste onthuld in Hem, die Immanuël is.

 

In de leerschool van het luisteren zijn ook onpersoonlijke, meer dan persoonlijke uitdrukkingen gevonden omdat deze God alles en allen te boven gaat. Hij is de alomvattende, de dragende grond van het bestaan, het geheim waarin alles rust en alles tot rust komt. 

 

[Drie-eenheid / Triniteit: enkele citaten, ter overweging: In de naam van de Vader, de Zoon en de Geest, de Spreker, de Spraak en de Adem (K. Heeroma, 1909-1972). De drie-eenheid van Vader, Zoon en Geest is de drie-eenheid van spreker, woord en spreekadem; in het ene levende spreken wel onderscheiden, maar niet gescheiden (K. Heeroma).

Al is het woord niet in de bijbel zelf te vinden, het is ontstaan uit een diep en onontkoombaar nadenken over het wezen, nog liever gezegd, over het werk van God (E.L. Smelik, 1900-1985). De leer van de drie-eenheid heeft ten diepste de bedoeling de verlossing van de mens te eren als een werk van God zelf (C. v.d. Kooi, geb. 1952). In de triniteitsleer willen we niet anders zeggen, dan dat de éne God die de Heilige is en die onze Schepper is, in Christus zèlf present is in ons midden en dat Hij door zijn Geest zèlf in ons woont, terwijl de hemel der hemelen Hem niet kan bevatten (A. v.d. Beek, geb. 1946). De Drie-eenheid van God wil niets anders uitdrukken dan dat ene zinnetje: 'God is liefde' (A. v.d. Beek).

God die zich drievoudig opent naar de mens. In zijn scheppend spreken, zijn helend komen, zijn troostend aanwezig zijn (Marianne van Beinum, geb. 1943). Ik dank U, grote God, / dat Gij de Vader zijt / die mij te boven gaat, / de Zoon / die mij terzijde staat, / de Geest / die in mij bidt en smeekt (Jaap Zijlstra, geb. 1933). 

 

Ervaring en gemis aan ervaring

Spreken over God wordt gedragen door ervaring met God. Ervaring wil dan zeggen: 'de weerklank in mensen van wat van God komt' (29). Ervaring is nodig. 'Zonder kloppende harten en dragende voeten verkommert het geloof en verstart de kerk' (31). God gaat overigens niet op in ervaring. Verder geldt: ervaring is veelal tegendraads (niet een succesverhaal; niet altijd een 'fijn gevoel'; niet zonder pijn en hartzeer).

 

Ook zullen we ons rekenschap geven van het gemis aan ervaring van God, dat velen parten speelt. De oorzaken zijn velerlei: de bronnen van het geloof raken op afstand; de kerk en haar 'aanbod' staan ver van het dagelijks leven; hoofd en hart groeien uit elkaar; zo ook ziel en lichaam - 'Protestantse knieën buigen slecht. En Protestantse lichamen zitten vooral' (41) -; een wereldbeeld, wereldbeleving waarin God de afwezige is. Het gemis vertaalt zich ook in een honger naar oude en nieuwe vormen van spiritualiteit. 

 

[Weer een aantal citaten over ervaring I bevinding / spiritualiteit: André Troost citeert in een van zijn boeken de brief van een kind aan God: Lieve God, is onze dominee Uw vriend of kent U hem alleen maar van het werk? Een gedicht van Hans Bouma (geb. 1941) onder het opschrift Openbaring: Ik raak / te veel aan U gewend, / hoelang / doe ik ook al met U mee, / steeds vanzelfsprekender / wordt Gij voor mij, / ik laat mij nauwelijks / meer door U verrassen. /0 God, ooit zijt Gij / het voor mij geweest / een openbaring. / Zult Gij het ooit weer / voor mij worden?

Aan de dichter Ad den Besten werd ooit de vraag gesteld: heeft u ooit een Godservaring gehad? Hij antwoordde: 'Ja, maar ik schrok me rot'. Nog een ervaring onderweg, tijdens het lezen. Een Engelse bisschop was in gesprek met iemand uit de Pinkstergroepen. De laatste vroeg: 'Mijnheer de bisschop, bent u vol van de Heilige Geest? ' Het antwoord luidde: 'Ja mijnheer, maar ik lek'.

Het werk van de Geest krijgt in de bevinding gestalte in de ervaring van de mens (A.A. van Ruler, 1908-1970). Het ervaren van God is niet altijd zo aangenaam. Het is niet zoiets als 'high' worden. Het 'voelt aan' als kruis-dragen (Okke Jager, 1928-1992). Gij wacht op mij / totdat ik openga voor U / Ik wacht op Uw Woord / dat mij ontvankelijk maakt. / Stem mij af op Uw stem / op Uw stilte (Huub Oosterhuis, geb. 1933). (u..) Geef dat aan ons te merken is /wat wij van U / hebben meegemaakt (...) (Jaap Zijlstra, geb. 1933).

 

Belijdend spreken

Het spreken over God is ook belijdend. Er wordt gezegd wat, beter nog: wie ons ten diepste beweegt. Het is bedoeld om aanstekelijk te werken. Daarbij hebben we elkaar broodnodig, ook als kerken wereldwijd.

Ja zeggen heeft als keerzijde ook nee zeggen. 'Een kerk waarin 'alles gezegd kan worden' is een nietszeggende kerk geworden. Ze wordt ontrouw aan haar roeping en ongeloofwaardig naar buiten' (51). 

 

[Een aantal opmerkingen en citaten over het belijden van de kerk. Het belijden van de kerk is geen bijkomstigheid, maar noodzaak. Het behoort tot het wezen van de kerk: zij dient te zeggen wat haar van Godswege, gehoord de Schrift(en) en gezien de situatie is toevertrouwd. Wat zal de kerk anders dan belijden? Maar het is geen burgerlijk, rustig werk Geen potverteren. Geen rentenieren. Tegen de goden der eeuw in zal de kerk een harde dobber hebben (O. Noordmans, 1871-1956). Deze noodzaak onthult tegelijk de schuld en schande van de kerk, de onmacht, de krachteloosheid van haar belijden. Over de uitleg van de Schrift(en) en de duiding van de concrete situatie is de kerk hopeloos verdeeld. Wat zal een verscheurde, in zichzelf verdeelde kerk zeggen?

 

De kerk in West-Europa verkeert in een minderheidspositie (pijnlijk, maar ook heilzaam; want: macht corrumpeert, maakt stuk). We worden weer teruggeworpen op de kerk van het begin. De oudste christelijke belijdenis bestaat slechts uit twee woorden: Jesous Kurios I Jezus is Heer (1 Kor. 12:3; Filipp. 2: 11). Het gaat erom dit minimum van belijden maximaal te beleven (J. Koopmans, 1905-1945). Belijden is een gebeuren onderweg (Markus 8:27!). Niet een standpunt innemen, maar vooral een weg gaan. Christenen als mensen 'van die weg' (Hand. 9:2). Onderweg betekent: er is een verleden en een toekomst, een besef van nog niet gearriveerd zijn.

Denk ook aan de opmerking van H. Bavinck (1854-1921): Je geloof belijden is iets anders dan je belijdenis geloven.

Onderweg betekent ook: het besef van saamhorigheid. Wij zijn niet de eersten, evenmin de enigen. Het behoort tot de aard van de gemeenschap, zeker die van de kerk, dat men grondig naar elkaar luistert en dat men dan ook de kritische kanttekeningen niet verzwijgt. Dit laatste zou een uiting van onverschilligheid zijn, die het tegendeel van liefde is. Men is gereformeerd om in vertrouwen op de toekomst van Christus en van Zijn Rijk ook tegenover eigen verleden kritisch te staan. Maar slechts zij kunnen vruchtbare kritiek leveren, die zich bereid toonden eerst de verschuldigde eerbied op te brengen (E.J. Beker, 1921-2006 en J.M. Hasselaar, 1917-1992).

Denk ook aan een opmerking van de oude prof. J.H. Gunning (1829-1905): Daar de gedachten-vormen in welke het tegenwoordige geslacht denkt, andere zijn dan die van onze vaderen, zo bewijst iemand die thans onze vaderen letterlijk na-belijdt, juist daardoor zijn verschil met hen. De belijdenis van de vaderen was, door zich tegen de toen werkende machten te keren, actueel. Wie hen thans letterlijk na-belijdt, nu andere machten zich tegen de gemeente keren, is niet actueel en bewijst daardoor zijn verschil met hen.

 

Een belijdenis wordt niet gemaakt, maar geboren, noodgedwongen. Wie werkelijk belijdt, raakt aan God, staat in het krachtenveld van de Heilige Geest (Mat. 16:17; 1 Kor.12:3). Onder hoogspanning dus. Voordat een mening, een overtuiging het karakter, de kracht van een belijdende uitspraak krijgt, moet er heel wat gebeuren. Ook dit 'geestelijke brood' wordt­ naar een woord van Gunning - in 'het zweet des aanschijns' verkregen, biddend om het licht van de Heilige Geest, die in alle waarheid leidt. Alleen daar, waar christenen in gehoorzaamheid aan hun Leidsman onderdrukking, vervolging, bespotting en lijden ondervinden en in hun radeloosheid en nood zich tot God wenden in een gebed om geloof en hoop om staande te blijven, dààr wordt een belijdende kerk geboren (C.F. Beyers Naudé, 1915-2004).

 

Het belijden heeft ook altijd de notie van tekort. De confessie als geloofsbelijdenis heeft hetzelfde karakter van gebrokenheid, humiliteit, nederigheid als de levensbiecht (O. Noordmans). Ook van gelijkenis: Wij kunnen niet 'onomwonden' over God spreken. Het is een spreken 'bij wijze van spreken', een zingen in beeldspraak, een zeggen in gelijkenissen (W. Barnard). Het is ook een vorm van zingen: wat, wie iemand ten diepste beweegt, mondt uit in een liefdeslied. Dit alles geschiedt in duurzame verbondenheid met Israël, het Joodse volk, de eeuwen door. De kerk is immers niet uit de lucht komen vallen, maar ontstaan in het huis van Israël. Daarom kunnen we - met een woord van Barnard - Jezus ook nooit uit zijn familieportret knippen.

 

Over tucht, discipline: In iedere tucht zaak behoort iets té zijn van een smartelijke persoonlijke breuk. Anders wordt het een civiele strafzaak (O. Noordmans). De kerk mag vrijgevig zijn in alles, behalve met de waarheid (O. Noordmans). Belijdenis is geen kleinigheid en leertucht een geweldige taak Een kerk die de moed niet heeft om, als 't moet, haar dienaren aan de dijk te zetten, is misschien een maatschappij tot Nut van 't Algemeen, maar geen kerk (O. Noordmans)..., de tucht, in de oorspronkelijke betekenis van 'trekken', bewaart de onderdanen bij de koning (G.P. Hartvelt, geb. 1921).

 

In de kerk bestaat er geen leervrijheid, net zomin als die in de universiteiten bestaat. In de universiteit krijg je bij het verkopen van wetenschappelijke onzin een consilium abeundi. De kerk moet zich bewust zijn dat zij bij het verkopen van onzin die niet getoetst is aan haar credo, als kern waarom het in de Schrift gaat, mensen moet zeggen dat ze hun leeropdracht kwijt raken - op de kansel en op de katheder. Als je de standaards niet meer toepast, hol je je eigen bestaansrecht uit (A. v.d. Beek).

 

Als predikanten geen leiding meer geven aan het geloof, zou de kerk tucht moeten toepassen. Dat lijkt voor veel mensen iets uit het grijs verleden, maar het is hard nodig.

In de medische wereld worden beunhazen aangepakt: ze worden berispt en als het te erg is, wordt hun de bevoegdheid ontnomen. Je kunt niet met mensenlevens spelen. In de kerk maakt men zich blijkbaar niet druk over wat mensen geloven en hoe er over God wordt gepraat. Ik wil niet zeggen dat over elk ding een leertuchtproces moet worden begonnen. Leertucht moet plaatsvinden als er op een verkeerde manier over God gesproken wordt... (A. v.d. Beek).

 

Verbreding en verdieping

Naast deze handreiking en daaraan dienstbaar verscheen gelijktijdig een handzaam boekje: Protestantse bronnen over God.

Ook dit telt 5 hoofdstukken: hoe wordt in het Oude Testament over God gesproken? (1); hoe in het Nieuwe Testament? (2); een bijdrage vanuit de gereformeerde traditie (3); een lutherse bijdrage (4) en een zoektocht naar theologische lijnen in het (systematisch) spreken over God in de laatste eeuw (5).

 

De bijdragen zijn geschreven door respectievelijk: prof. dr K. Spronk; prof. dr R. Roukema; dr G.H. Borger-Koetsier; prof.dr K. Zwanepol en dr R. Reeling Brouwer. Spronk laat zien: 'Het gaat nooit over God alleen, maar steeds over God in relatie met mensen. Zo leert men God van verschillende kanten kennen en zo wordt ook duidelijk dat men niet goed over God kan spreken zonder zichzelf onderdeel te maken van de overwegingen' (10).

Wezenlijke trekken van God komen in wisselende situaties telkens weer verrassend nieuw ter sprake. Spronk maakt een en ander duidelijk aan de hand van de woorden in Ex.34:6-7, die ook ter sprake komen in Ps.I03:17-18; Joël 2:13-14; Mi.7:18-20; Nah.1:2-3a; Jona 4:1-4.

Roukema zet in bij de proloog van Johannes (Jezus Christus als het uitgesproken Woord van God) en laat zien dat het in het hele Nieuwe Testamant telkens opnieuw om deze Ene gaat. Ook de herkenning is ten diepste een werk van God: het wonder van de Geest. Uit diverse getuigenissen blijkt dat er in die tijd al een opmerkelijke visie op Gods drievoudigheid was ontstaan, zonder dat die visie dogmatisch was uitgekristalliseerd.

Van belang is dus dat volgens het Nieuwe Testament God zich enerzijds bekend maakt in zijn Zoon Jezus Christus, en anderzijds in zijn Geest. Omdat ook van Jezus wel wordt gezegd dat hij de Geest geeft, blijkt daaruit hoezeer hij de functie van God op zich neemt' (36).

Mevr. Borger begint haar bijdrage met een aantal toonaangevende zinnen: 'We kunnen alleen op een goede manier over iemand spreken als we hem of haar persoonlijk hebben leren kennen en geregeld met de ander omgaan. Niet anders is het als we spreken over God. Het kennen van God begint in de regel bij 'van horen zeggen' . Maar als we echt willen ontdekken wie God is, dan is een persoonlijke omgang met Hem essentieel. Vanuit een relatie met God verdiept het 'van horen zeggen' zich tot een 'wij hebben Hem zelf gehoord', zoals de mensen in Samaria ooit getuigden van Jezus (Joh. 4:32).

Deze gedachte staat centraal in de gereformeerde traditie. Dit bepaalt ook onze voorkeur voor de titel van deze bijdrage: spreken van God in plaats van spreken over God' (38).

Zwanepol brengt 'die aspecten van het spreken over God uit de bronnen van het luthers belijden voor het voetlicht (-), die enerzijds dat lutherse typeren en anderzijds ingang zouden kunnen vinden in hedendaagse vragen rond het spreken over God' (53): oecumenische achtergrond; focus op de rechtvaardiging; breedreligieuze context ['Alles waar een mens zijn hart aan hangt en op vertrouwt kan als 'god' worden aangeduid. (...) Des te spannender wordt dan de vraag: wie is de ware God in dit rijk geschakeerde palet van godsdienstigheid waarin ieder zo ongeveer voor alles wel een god heeft? (55)];

voor het aangezicht van God: belijden en vieren; wet en evangelie; de goedheid van de drie-enige God.

Reeling Brouwer schrijft een doordacht artikel dat qua verstaanbaarheid enigszins uit de toon valt. Het past meer in een theologisch tijdschrift.

 

Vragenderwijs

Gehoord, gelezen deze samenvatting: vragen? Uitroeptekens?

Spreken over God. Herkent u die elementen van afstandelijkheid, vrijblijvendheid, gewenning?

Spreken van God. Aangesproken door Hem (zie Joh. 4:42; oude berijming van Psalm 56: Ik roem in God, ik prijs 't onfeilbaar woord; ik heb het zelf uit zijnen mond gehoord). Herkent u dat?

Spreken met God. De weg, de wijze van het gebed. Moeilijk? Verrassend?

Wat u in dit verband verder ter sprake wilt brengen. 

 

Voor de goede orde zet ik de zakelijke gegevens op een rij. Spreken over God - Pastorale handreiking, Zoetermeer 2011, 54 blz., € 4,90 ISBN 9789023925538;

Protestantse bronnen over God (red. dr J.M. van 't Kruis), Zoetermeer 2011, 84 blz., € 11,90 ISBN 9789023925545 

 

Lezing van dr. G.W. Marchal op de Confessionele Kring Apeldoorn e.o. op woensdag 18 mei 2011, Jachtlaankerk Apeldoorn.