| Missionair kerk zijn in hedendaags confessioneel perspectief |
| Bijdrage van gastschrijver |
| donderdag, 26 augustus 2010 |
|
Referaat door IZB-studiesecretaris drs. Wim Dekker tijdens Jaarvergadering Confessionele Vereniging , Nijkerk 14 april 2010 Hartelijk dank vandaag hier te mogen spreken op deze jaarvergadering van de Confessionele Vereniging, waar ik geen lid van ben, maar waar ik me wel sterk mee verbonden voel. Ik spreek hier op persoonlijke titel, maar toch ook wel als iemand, die mede het gezicht van de IZB mag bepalen, de vereniging voor zending in Nederland binnen de Protestantse Kerk.  Wim Dekker over missionair besef in het kerkelijk stromenland Zoals u weet deed onze vereniging in het verleden vooral haar werk namens en ten dienste van gemeenten, die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Maar sinds drie kerken opgingen in de Protestantse Kerk in Nederland heeft de IZB zich opnieuw op haar positie bezonnen. Ze wil haar werk uitdrukkelijk verrichten binnen deze kerk en ten dienste van deze kerk. Daartoe werd in januari 2010 een samenwerkingsovereenkomst ondertekend tussen de IZB en de afdeling Missionair Werk en Kerkgroei van de dienstenorganisatie van de PKN. Intussen dienen verschillende predikanten in ons bestuur confessionele gemeenten en werd ons bestuur ook uitgebreid met iemand, die zich uitdrukkelijk rekent tot de Confessionele Vereniging , ontvangen alle confessionele predikanten onze brieven en mailings en willen we graag alle gemeenten, die zich thuis voelen bij onze visie van dienst zijn. Over die visie ga ik natuurlijk straks meer zeggen, maar hier alvast dit: wij zien missionair werk als werk van de kerk en de gemeenten. We denken volstrekt kerkelijk, wanneer het over zending gaat, hebben de kerk hoog, ontwikkelen geen eigen zendingsactiviteiten, alsof dat de taak van een organisatie zou zijn, maar richten ons vooral op de toerusting van gemeenten en ambtsdragers om in de eigen context missionair te zijn. Ik denk, dat er geen enkel verschil in visie wat dit betreft is tussen de IZB en de Confessionele vereniging. Samen staan we in dit opzicht in de lijn van P.J. Hoedemaker. Omschrijving van het thema Waar wil ik het vanmiddag met u over hebben? De titel van mijn referaat zegt: missionair kerk zijn in hedendaags confessioneel perspectief. Dat is een hele mond vol. Het gaat in ieder geval over missionair kerk zijn. En dat is natuurlijk niet toevallig. Ik noemde zo even al de afdeling Missionair Werk en Kerkgroei van de Protestantse Kerk. Die afdeling bestaat nog niet zo lang. Ze is het gevolg van een nieuwe bezinning binnen onze kerk op de noodzaak missionair te zijn. We zijn al jaren lang een krimpende kerk. Maar in de visienota van de synode âLeren leven van de verwonderingâ, wordt gezegd, dat we daarom niet ons terug moeten trekken, in onszelf gekeerd afwachten wat komen gaat, maar dat we juist meer naar buiten zullen treden om anderen bekend te maken met het evangelie van Jezus Christus en hen zullen nodigen tot de navolging van Hem. In artikel X van de kerkorde van de PKN staat het als volgt: âDe gemeente is vanwege haar missionaire opdracht, in heel haar bestaan gericht op getuigenis en dienst aan hen die het Evangelie niet kennen of daarvan vervreemd zijn, opdat ook zij delen in het heil in Jezus Christusâ. In de visienota staat: âWij verlangen ernaar, dat er in Nederland een steeds groter wordende groep komt die het evangelie hoort en gelooft. Voor hen willen wij openstaan en kerk zijnâ. Missionair kerk zijn. De kerk is er niet voor zichzelf. De kerk is er om anderen uitdrukkelijk te nodigen tot het heil. Het tweede deel van de titel van mijn referaat luidt: in hedendaags confessioneel perspectief. Anders gezegd: hoe kijk je daar nu als mensen, die staan in de traditie van de confessionele vereniging tegenaan?Daar wil ik nu eerst op ingaan. Confessioneel en missionair Confessionelen, hadden die binnen de Hervormde Kerk en hebben die nu binnen de Protestantse Kerk veel met missionair kerk zijn? Die vraag is nog niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Aan de ene kant zou je denken van wel. De leus van Hoedemaker: âheel de kerk en heel het volkâ, kan toch niet leiden tot een kerk, die cirkelt om de eigen as, intussen steeds kleiner wordend? Toch zijn hier wel een paar vragen te stellen. In de eerste plaats: is men in confessionele kring in de twintigste eeuw niet heel lang bezig gebleven met het thema âreorganisatie van de kerkâ, terwijl intussen de innerlijke uitholling van kerk en geloof op een manier aan de gang was, waar men in de orthodoxe gemeenten nog geen enkel vermoeden van had of die men vooral weet aan vrijzinnigheid in plaats van aan een allen en alles in de crisis brengende secularisatie?  Hadden Confessionelen wel scherp wat er precies in de cultuur speelde of was men toch wel heel eenzijdig gericht op de kerk en dan vooral ook nog op de organisatorische kant van het kerk zijn? Als we nu eindelijk maar eens van die reglementenbundel bevrijd worden⊠Als we nu maar eens een belijdende kerk krijgen en een ambtelijk bestuurde kerk krijgen in plaats van een regentenkerk⊠Ik heb zelf, eerlijk gezegd, nooit zoveel affiniteit gehad met deze drive, maar achteraf bezien kun je je ook afvragen of men daarbij toch niet aan de veel grotere problemen heeft voorbij gezien, namelijk de problemen van de erosie van het christelijk geloof in de westerse cultuur. Rond de oorlog en na de oorlog lijken Confessionelen hier wel oog voor te krijgen, wanneer met name de grote confessionele theoloog A.A. van Ruler pleit voor het apostolaat van de kerk als herkerstening van het volk. Van Ruler pleitte echter voor een krachtige apostolaire aanpak samen met anderen, die niet zijn herkerstening programma voorstonden, maar die uitgingen van een veel optimistischer visie op de wereld als met God verzoend en vol sporen van humaniteit, waar de kerk bij aan zou kunnen sluiten. Dat maakte het hele nieuwe apostolaire elan, waar de kerk na de oorlog in terecht kwam van meet af diffuus. Van Ruler, die sprak over herkerstening en daarmee waarschijnlijk niet goed zag, dat de geschiedenis niet zomaar over gedaan kan worden. Een land kan gekerstend worden, maar of het ook her-kerstend kan worden is de vraag. J.C.Hoekendijk, die sprak over âde kerk binnenste buitenâ en eigenlijk meende, dat het instituut kerk niet geschikt was voor de apostolaire opdracht, terwijl bij Van Ruler de kerk ongelooflijk belangrijk was. De theologen van de âDoorbraakâ, die de verzuiling zagen als een grote belemmering voor de doorwerking van het evangelie in de samenleving, maar die onderling verschilden in hun visie op de cultuur. Allen spraken over het grote belang van het apostolaat, maar ze bedoelden bepaald niet hetzelfde. Dit moest bijna wel verkeerd aflopen. âApostolaatâ was een containerbegrip en dan loopt het toch weer verkeerd, wanneer ieder er op eigen manier mee aan de slag gaat. Als âmissionairâ vandaag zoân zelfde containerbegrip is, zijn we gewaarschuwd. Verontrusting Dat het verkeerd afliep bleek steeds sterker in de jaren zestig en zeventig. Eerst werd in 1967 de âOpen Briefâ gepubliceerd van W.Aalders samen met vierentwintig anderen. Daarmee sympathiseerden ook verschillende Confessionelen. Die brief was één groot protest tegen de apostolaire koers van de kerk na de oorlog. Het werd de hoogste tijd, zo stelde de brief, dat de kerk zichzelf weer ging verstaan als bruid van Christus in plaats van als voorhoede der mensheid op weg naar een rechtvaardige wereldorde. Die âOpen Briefâ was wel heel eenzijdig, maar betekende toch het begin van een keerpunt in de ontwikkelingen na de oorlog. Had het een poosje geleken alsof de verschillende modaliteiten van vroeger elkaar gevonden hadden in gezamenlijke nieuwe accenten, waarvan het apostolaire elan er één was, nu kwam aan het licht, dat het een schijneenheid geweest was. Nog spannender werd het toen in 1971 het âGetuigenisâ gepubliceerd werd. Dat kwam voort uit een samenspreking van vertegenwoordigers van de Confessionele Vereniging, de Gereformeerde Bond, de vrienden van Kohlbrugge en de âvierentwintigâ van de eerder genoemde âOpen Briefâ. De confessionele prof. dr. G.C. van Niftrik was hierbij de grote voorman. Met nadruk wordt in het âGetuigenisâ gezegd, dat het christelijk geloof in de eerste plaats een zaak van persoonlijke wedergeboorte en bekering is en dat de kerk zich allereerst moet bezighouden met de noden van de enkeling. Het âGetuigenisâ vond grote weerklank. In korte tijd kwamen 60.000 adhesiebetuigingen binnen. Intussen nam de verdeeldheid in de kerk hierdoor wel toe. Er waren ook felle tegenstanders van het âGetuigenisâ, terwijl anderen van mening waren, dat de ene eenzijdigheid de andere opriep. Zelf herinner ik me nog heel goed dat ook steeds de vraag klonk wat prof. Van Ruler hiervan gevonden zou hebben. Hij was een jaar eerder gestorven. Zijn vrouw dacht zijn plaats over te moeten nemen en stelde zich actief achter het âGetuigenisâ. Zij was daarin volkomen integer. Intussen bemoeilijkte dit wel het theologische gesprek. Wie zou durven zeggen, dat mevrouw Van Ruler ten onrechte zich achter het âGetuigenisâ had opgesteld? Toch kon iedereen tegelijk weten, dat de theologie van Van Ruler zo breed was, dat het âGetuigenisâ minstens een versmalling van die theologie inhield. Maar blijkbaar waren de tijden veranderd. De breedte van de theologie van Van Ruler, die dacht vanuit het eschatologische Rijk Gods, ging bij hem tegelijk samen met een diepte, die echter in die samenhang blijkbaar in de kerkelijke praktijk onbarmhartig uiteen gescheurd werd. Eenzijdige reactie Zelf was ik in die tijd student en vond het allemaal heel spannend, vooral ook om de synodevergadering mee te maken waar het âGetuigenisâ werd besproken en prof. Van Niftrik een zeer gepassioneerde rede hield. Verder kon ik de theologische en kerkelijke implicaties natuurlijk nog helemaal niet overzien. Wel viel me op, dat zowel de âOpen Briefâ als het âGetuigenisâ zoveel instemming opriepen bij predikanten en gemeenten, die ik als conservatief beleefde. Ik las zelf in die tijd Van Ruler, Barth en Bonhoeffer en liet me ook leiden door de colleges van J.M.Hasselaar, terwijl we op het studentendispuut graag luisterden naar lezingen van A.A.Spijkerboer. Luisterend naar deze theologen, live en in hun geschriften, begon ik juist wat verlost te worden van piĂ«tisme en conservatisme, begon ik oog te krijgen voor de kritische profetische stemmen van met name het Oude Testament en begon ik ook te zien, dat we in het Westen in een heilloos dualisme terechtgekomen waren van zondag en maandag, ziel en lichaam, aarde en hemel. Ik las het indrukwekkende boek van Eberhard Busch, Karl Barth und die PiĂ«tisten, en begreep toen voor het eerst waar het lek zat in mijn eigen piĂ«tistische traditie: je kunt over een wedergeboren christen spreken die tegelijk gezagsgetrouw uiteindelijk Hitler aan de macht laat komen en die dan zelfs nog niet doorheeft, dat hier profetisch spreken geboden is en daadwerkelijk verzet. Maar dan ben je dus feitelijk niet wedergeboren, dan is hooguit iets in je innerlijke gevoelsleven wedergeboren, maar als totale mens heb je geen deel aan het nieuwe Rijk Gods. Anders zou je ogenblikkelijk voelen hoezeer die werkelijkheid botst op de dagelijkse, maatschappelijke en politieke werkelijkheid. Dat alles kon ik niet van me afzetten bij het lezen van de âOpen Briefâ en het âGetuigenisâ. Mijn gevoel zei me: deze brieven zullen al degenen, die hierin aangesproken worden, niet overtuigen, want daarvoor is het veel te eenzijdig wat hier gezegd wordt. Anderzijds zullen allerlei conservatieve stromingen zich bevestigd voelen in hun gelijk, maar dan is de polarisatie compleet en komt het schip van de kerk zeker nier meer vooruit. Nou ja, een studentje aan de zijlijn kan natuurlijk makkelijk zoiets denken. Ik besef heel goed hoezeer het juist ook de opstellers van de âOpen Briefâ en het âGetuigenisâ ernst was en hoe terecht zij zich zorgen maakten. Inderdaad terecht. Want de beweging naar de wereld toe, die eerst de Hervormde Kerk en later de Gereformeerde Kerken zo dapper insloegen heeft er niet toe geleid, dat de wereld werd gewonnen voor Christus, maar juist omgekeerd dat zeer veel kerkelijke mensen verwereldlijkten en dat de meesten van hun kleinkinderen vandaag nauwelijks meer weten hoe een kerk er van binnen uitziet. Dat is aangrijpend. Confessionelen in de verdediging Nu keren we terug naar de Confessionele Vereniging. Eerst dus vooral bezig met reorganisatie van de kerk, waarbij het gevaar dreigde dat alle aandacht uitging naar de kerk zelf en veel minder naar haar roeping in de wereld. Daarna onder leiding van de grote Van Ruler geconfronteerd met een theologie, die niet in de eerste plaats gaat over de kerk, maar over het Rijk Gods, veel breder dus en met een groot accent op het apostolaat. De vraag is in hoeverre dit gedachtegoed ooit echt geland is in de confessionele gemeenten. In ieder geval veranderen de tijden daarna al weer spoedig, want Confessionelen blijken verontrust zich te scharen achter diegenen, die zeggen, dat het apostolaat van na de oorlog de grote schuldige is van het verval van de kerk. Confessionelen dreigen vooral conservatief te worden. En confessionelen, die dat niet zijn, gaan op in het grote midden van de kerk, dat het heftigst te maken krijgt met de secularisatie. Daar komt nog een ander nadelig puntje voor Confessionelen bij. Namelijk daar waar ze te maken hebben met een Gereformeerde Bondsgemeente naast zich, worden ze gedrongen zich te profileren op een manier, die ook tot versmalling leidt. Dat is eigenlijk een verhaal apart. Confessioneel kun je natuurlijk het beste zijn, wanneer je je niet tegen anderen af hoeft te zetten. Confessioneel past bij een dorp of een volkswijk van een stad, waar je vanuit het hart van het evangelie de cirkels heel wijd kunt trekken: heel de kerk en heel het dorp of heel de wijk. Maar wanneer confessionelen zich moeten gaan profileren tegenover Gereformeerde Bonders bijvoorbeeld, dan raken ze toch een beetje de kluts kwijt, zoals Gereformeerde Bonders, die menen zich te moeten profileren tegenover Confessionelen er ook niet beter op worden. Ik heb hier zelf iets van zien gebeuren in mijn geboorteplaats Ermelo, waar ik heel mijn jeugd ook heb doorgebracht. We waren Ermeloâs hervormd, er dienden predikanten uit de school van Woelderink en Kohllbrugge, die Gereformeerde Bonders en Confessionelen verenigden tesaam. Maar na het vertrek van ds. G. Spilt werd besloten, dat er nu ook een confessionele predikant moest komen, die een echt gezang opgaf. Aldus kwam de onder u zeer bekende ds. J.P. van Roon uit Zierikzee. Een prima predikant. Sommigen zeiden zelfs, dat hij meer het gevoel van de mensen wist te raken dan sommige Bonders. En toch veranderde er vanaf dat moment iets ingrijpend in de gemeente. We gingen spreken over wij en zij. Waar hoor je bij? Confessionelen kunnen ook wel goed zijn, zeiden sommige Bonders, maar als ze echt goed waren, dan waren ze toch wel lid geworden van de Bond? De meest wonderlijke logica ving ik op, waarvan ik vroeger niet wist dat die bestond. Een tijdje later werd een afdeling van de Gereformeerde Bond opgericht. Die was er voorheen nooit geweest, terwijl de gemeente altijd predikanten uit die kring had gehad. Maar ze wist het nauwelijks. Was het niet goed, dat Ermelo in de jaren vijftig van de vorige eeuw een confessionele predikant kreeg? Dat was wat mij betreft prima. Maar ik heb aan den lijve ondervonden hoezeer je gelovige gedachtegangen de verkeerde kant op kunnen gaan. Het gaat ineens over Confessionelen en Bonders alsof dat ook maar iets te maken zou hebben met heel de kerk en heel het volk, met waar het juist ook in confessioneel opzicht in de kerk om gaat. En dit gaat tot op de dag van vandaag nog zo door. Er zijn allerlei gemeenten, waar ik niet kom, omdat de Confessionelen zeggen, dat ik een Bonder ben en de Bonders , dat ik eigenlijk meer confessioneel ben. Nu vind ik dat niet zo verschrikkelijk, maar hetzelfde lot treft de IZB en dat is al kwalijker, want de IZB kan ook confessionele gemeenten heel goed van dienst zijn in de roeping waar het vandaag om gaat. Confessionelen kunnen Bonders de schuld geven van deze volstrekt vruchteloze tegenstellingen, maar op zân minst laten ze zichzelf dan daarin ook gijzelen. Echt confessioneel zijn betekent je nooit in een hokje op laten sluiten, grenzen doorbreken, die door mensen zijn gemaakt en die de roeping om voor ieder tot zegen te zijn in de weg staan. Nou dit was dan even een uitstapje om aan te geven, dat we hier een van de vele oorzaken hebben, dat het missionaire er bij Confessionelen nooit zo is uitgekomen als je op grond van hun brede visie â heel de kerk en heel het volk- had kunnen verwachten. En waar stond de IZB? Nu wil ik de ontwikkeling van de IZB in de afgelopen jaren er naast zetten. Wat waren de theologische wortels van de IZB en wat heeft dit betekend voor het feitelijke missionaire gehalte van de gemeenten, die zich bij deze IZB thuis voelden? De IZB is 75 jaar geleden opgericht om kleine groepen rechtzinnige gelovigen in vrijzinnige gebieden van ons land te bewaren bij de kerk en ze tegelijk te helpen in hun omgeving te evangeliseren. De oprichters behoorden bij die stroming van de Gereformeerde Bond, die meer met Hoedemaker dan met Kuyper had. Het ging hen niet om losse groepjes rechtzinnigen, maar het ging hen om het herstel van de kerk, ook in die gebieden waar deze helemaal in de vrijzinnigheid was weggezakt. Na enige tijd gingen ook evangelisten in de onkerkelijke volkswijken van grote steden aan het werk. Ze werden door de gemeenten ondersteund als een soort zendelingen in eigen land. Na de oorlog kreeg de IZB te maken met het nieuwe denken in de kerk over het apostolaat. De kerk wilde graag mensen van de IZB hierin betrekken. Zo werd de jonge Gereformeerde Bonder, ds. T. Poot, benoemd als docent op âKerk en Wereldâ het apostolaire instituut van de kerk. Toen zijn periode daar echter voorbij was, was de animo om een opvolger te benoemen bij de IZB niet groot. Van meet af had de IZB niet zoveel met de apostolaattheologie. Er was geen groot theoloog in de Gereformeerde Bond, zoals bij de Confessionelen, Van Ruler, die het er in de een of andere vorm voor opnam. Dan kun je vervolgens ook weer vragen waarom dat zo was. Mijn antwoord is, dat in de Gereformeerde Bond de piĂ«tistische lijn altijd heel sterk aanwezig is geweest, zo sterk, dat men geen affiniteit had met welke vorm van apostolaattheologie ook, omdat het in al de varianten van deze theologie toch gaat om de brede contouren van het Rijk Gods. Dat was in de Gereformeerde Bond nooit een thema. Met de piĂ«tistische lijn bedoel ik ook, dat heel sterk de gedachte aanwezig was, dat het om de redding van de enkeling gaat en dat die redding allerminst vanzelfsprekend is. Zonder de persoonlijke kennis van Jezus Christus is een mens verloren. Dat was de diepste drijfveer om evangelisatiewerk te doen. Samengevat, het missionaire bezig zijn dat de IZB kenmerkte had minder met Hoedemaker en veel meer met het PiĂ«tisme te maken.  Dan komt er echter in de jaren zeventig en tachtig een merkwaardige ontwikkeling. In die jaren valt in de breedte van de kerk het apostolaire denken uiteen, ook Confessionelen gaan daaraan lijden door deels een terugtrekkende beweging te maken. Maar de IZB gaat juist proberen gemeenten open te breken, meer oog te krijgen voor de wereld, de cultuur en gaat verlaat iets van de oogst binnen halen van de theologie van Van Ruler en anderen, die de enge piĂ«tistische kaders overschreden. Veel nadruk komt te liggen op de missio Dei, de gezonden gemeente in de wereld. De zaak van het persoonlijke behoud van de enkeling verdwijnt niet, maar er komt meer aandacht voor de gemeente, de wereld, de cultuur en ook komt er aandacht voor verschillende vormen van missionair bezig zijn, niet alleen het persoonlijke getuigenis, maar bijvoorbeeld ook het diaconaat. De dingen kunnen soms vreemd gaan. Laatsten kunnen de eersten worden en eersten de laatsten. Het is niet het belangrijkste waar onze theologische afkomst ligt, belangrijker is wat we er onderweg mee gedaan hebben en of we ook nog eens de moed gehad hebben een bocht om te gaan, wanneer de veranderde tijd dat vroeg. Vandaag samen verder Nu staan we samen in het heden. We hebben een blik geworpen op onze afkomst en geschiedenis. Nu is het de vraag hoe we vandaag in de Protestantse Kerk samen verder gaan. Als IZB âers en Confessionelen, maar ruimer ook samen met allen die een missionaire kerk bepleiten. Mijn positie daarin is, dat ik daar heel graag bij aanhaak, maar dat ik tegelijk zoek naar theologische helderheid en de vraag probeer te beantwoorden: waar sta ik zelf, wat geloof ik, hoe ervaar ik de tijd waarin we leven en wat betekent voor mij in die context missionair? Ik wil me daarmee tegen niemand afzetten, maar ik wil wel voorkomen, dat we nu ineens allemaal iets over missionair gaan roepen, terwijl we totaal verschillende dingen bedoelen. Dan krijgen we hetzelfde als na de oorlog met het begrip apostolaat. Het was een container begrip en dat is ons later lelijk opgebroken. Dus hoe ervaar ik tijd nu? Waar moet prioriteit liggen en hoe gaat dat praktisch? Geloofscrisis Ik ervaar onze tijd als een apocalyptische tijd in meer dan één opzicht. In ieder geval wat betreft de crisis van het christelijk geloof in de westerse wereld. Er is heel veel meer aan de hand dan de afbrokkeling van kerkelijke instituten. Dat wordt in de literatuur wel vaak gesuggereerd. De kerken zouden te lijden hebben onder dezelfde verschijnselen, waar ook andere maatschappelijke organisaties mee te maken hebben ten gevolge van de veranderingen in de samenleving, met name de individualisering. Ook daar zit een kern van waarheid in. Maar als dit het enige was, dan zouden nieuwe gemeenschappen van gelovigen moeten opbloeien in andere dan traditionele vormen. Dat is echter maar zeer ten dele het geval. Er wordt geschreven over netwerk kerken, liquid churches en emerging churches. Maar op de keper beschouwd valt het allemaal heel erg tegen, nog afgezien van de vraag hoe deze vormen van kerk zijn de katholiciteit zouden kunnen bewaren. Het is ook bepaald niet gemakkelijk nieuwe gemeenten te stichten, tenzij deze vooral bevolkt worden door het ârondpompen van gelovigen (âthe circulation of the saintsâ). We leven in een apocalyptische tijd, omdat in ieder geval een van de dingen, die in het Nieuwe Testament herhaaldelijk ter sprake komen, wanneer het gaat over de eindtijd, de afval is van velen. Berkhof heeft daar in zijn boek Christus de zin der geschiedenis (5e druk 1966) zeer behartigenswaardige dingen over gezegd. Ik geef een uitvoerig citaat, omdat het zo waardevol is wat hij zegt en je tegenwoordig deze dingen bijna niet meer hoort: âDe afval is de centrale gestalte waarin het lijden van Christus zich momenteel onder ons voltrekt. Natuurlijk valt er over het verschijnsel van wat gewoonlijk in engere zin de secularisatie heet, sociologisch, psychologisch en cultuurhistorisch nog heel wat meer te zeggen. Maar dat alles krijgt pas perspectief en waarde, als eerst de theologische noodzakelijkheid van de afval is gezien. Dan ook alleen zal de christelijke gemeente zonder defaitisme of krampachtig activisme haar houding in de tijd weten te bepalen. Te moeten leven en werken in een woestenij van onverschilligheid, van mensen die het zelf al lang en veel beter menen te weten, kan voor voorgangers en gemeenteleden een loodzware druk worden. Dit mag ons echter âniet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwameâ (1 Petr. 4:12). De druk der post-christelijke onverschilligheid is de last van het lijden, die momenteel aan de Gemeente is opgelegdâ. (blz. 99,100). Berkhof schreef dit boek in 1958. Onvoorstelbaar eigenlijk, omdat wij nu terugziende zeggen: toen zaten de kerken nog stampvol, toen ging nog 95% van de Rooms-Katholieken naar de mis, terwijl nu 95% niet meer gaat. Soms denk ik: we zijn er snel aan gewend geraakt. We zijn ons neer gaan leggen bij sociologische en psychologische verklaringen en ervaren in ieder geval het niet zo, dat we in deze situatie waarin wij verkeren gemeenschap hebben aan het lijden en het kruis van Christus, waardoor ons intussen ook de troost daarvan ontgaat. Ik noem een voorganger en ziener uit een nog verder verleden: K.H. Miskotte. In 1930 houdt hij een radiopreek onder de titel âGeloof bij de gratie Godsâ. In zijn bekende bloemrijke taal schildert hij aangrijpend hoe hij zijn tijd ervaart: âJa, het geloof sterft in deze tijden. Gij hebt het natuurlijk ook gehoord hoe hier, daar, ginds, een mens fluistert of schreeuwt dat hij zijn geloof âkwijtâ is, dat het een vreemde bevrijding is en een angstige leegte tegelijkâ. Miskotte heeft deze preek later uitgewerkt tot een bredere verhandeling, waarvan ik zou willen dat we die allemaal samen in de kerk nog eens zouden gaan lezen. Hier wordt de tijd waarin wij staan gepeild op een wijze, die ik vandaag eigenlijk nergens meer aantref, terwijl ik toch de overtuiging heb, dat wij deze dieptepeilingen juist vandaag zo nodig hebben.Wij beleven niet een tijd van afbrokkeling van instituten, waar de kerk helaas ook het slachtoffer van is, maar wie weet, kunnen we met enige creativiteit er nog wel weer wat van maken. Overal waar ik in boeken en artikelen over de missionaire roeping van de kerk deze teneur proef, haak ik af. Hier wordt totaal de nood niet gepeild, waarin wij verkeren en dus kan de remedie ons ook niet helpen. We beleven een tijd, waarin het christelijk geloof in Europa in een zeer diepe crisis verkeert. Dat heeft te maken met afval, met het kruislijden van Christus en zijn gemeente, dat steeds weer in andere gestalten in de geschiedenis aanwezig is. Het heeft te maken met beproeving, met de zeef van satan om het in de taal van de preek van Miskotte te zeggen. Want die preek gaat over de bekende tekst, dat Jezus tot Petrus zegt: âDe satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarweâ. (Luk. 22:31). Missionaire gemeente en spiritualiteit Wij spreken vandaag opnieuw daarover dat de gemeente missionair is en zal zijn. Dat is goed. Het feit, dat we een minderheid geworden zijn met zoveel mensen om ons heen, die anders geloven en niet geloven, heeft mede onze ogen daarvoor geopend. Intussen is het heel belangrijk hoe die gemeente de situatie waarin ze verkeert geestelijk beleeft. Soms vind ik het spreken over missionair gemeente zijn veel te naĂŻef in de zin van : los van de concrete context van de afval van vandaag. Ik lees verhandelingen waarin het lijkt, alsof we vandaag met een schone lei kunnen beginnen: er is een christelijke kerk en er zijn ook heel veel mensen, die het evangelie nog niet kennen. Laten wij ons uiterste best gaan doen, dat ze het evangelie wel leren kennen. Laten we zo mogelijk de deuren en ramen van de kerk wat wijder openzetten, misschien ook wat van onze stoffige tradities opruimen. Wie weet komen er dan ook weer nieuwe bewoners, als we ons huis zo eens goed hebben opgefrist. Ik chargeer wat, maar ik fantaseer niet zomaar. Zoân houding acht ik echter niet alleen naĂŻef, maar ook fataal. Immers de werkelijkheid is, dat zelfs in de christelijke gereformeerde kerken- en dan hebben we het toch over het groene hout- tegenover elke toetreder tien mensen staan die uittreden, de kerk maar ook het geloof loslaten. In de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt is een prognose verschenen, die voorspelt, dat deze kerken de komende jaren met 20% zullen krimpen. In de Protestantse Kerk treden waarschijnlijk per jaar enkele honderden toe, terwijl er vijftig Ă zestig duizend de kerk verlaten. Nu weet ik heel goed, dat hier ook sprake is van een sterfteoverschot en van vertrek van randleden, die al lang niets meer met de kerk hadden. Maar dan nog... We leven in een tijd, niet alleen van kerkverlating maar van grote geloofsafval. Onze missionaire context, dat wil zeggen de context waarin wij getuigend en dienend gemeente zullen zijn in de wereld, is door deze situatie bepaald. Wat betekent missionair gemeente zijn in deze context? Wat betekent dat voor de geloofsbeleving? Bij de beantwoording van die vraag, denk ik toch het meest aan de gemeente in het Nieuwe Testament en aan de vroege kerk. Onze context is niet dezelfde als toen, maar lijkt daar wel op. Als gemeente van Christus ben je een minderheid te midden van een cultuur, die vreemd is aan het christelijk geloof, er soms vijandig, soms onverschillig tegenover staat. Maar dat betekent niet, dat je zo goed en zo kwaad mogelijk probeert te overleven. Het betekent wel, dat je opnieuw beseft hoe bijzonder het is te mogen geloven. Het is een wonder, dat alles te maken heeft met genade en verkiezing. Er is geen enkele vanzelfsprekendheid in het geloven. Die spiritualiteit hebben we ook vandaag weer nodig, een spiritualiteit, die gestempeld is door onvanzelfsprekend geloven, door genade en verkiezing als sleutelwoorden. Intussen is het ook een spiritualiteit, die gestempeld is door het besef, dat we geen sekte zijn, maar dat datgene dat wij geloven bestemd is voor alle mensen. Gods heil, waar wij uit mogen leven is bestemd voor alle mensen en het heil dat wij verwachten heeft alles te maken met de vernieuwing van de wereld als Gods schepping. Daarom ontmaskeren we de machten, die dit ontkennen en belijden we Jezus als Heer op alle terreinen van het leven. Juist dat laatste zal tot aanstoot leiden en zal betekenen, dat geloven lijden met zich meebrengt. We lijden aan de afval en aan alle ontkenning van de universele betekenis van de naam van Jezus, ook in de gedaante van tolerantie en pluraliteit. Intussen vinden we vreugde in de gemeenschap met Christus. Want als we met Hem lijden, zullen we ook met Hem verheerlijkt worden. Die grondtoon van het Nieuwe Testament heeft niet alleen te maken met lichamelijk lijden of andere beproevingen, die ieder mens overkomen, maar vooral ook met onze identiteit in Christus, die in deze wereld van alle kanten wordt aangevochten. Missionair zijn we door standvastig en onbeweeglijk te zijn in de gemeenschap met Christus en door zo een identiteit te laten zien, die uitdaagt en mensen nieuwsgierig doet vragen wat dat toch is. Met Hem begraven en met Hem opgestaan, leiden wij een ander leven, kennen wij een andere verwachting, stellen wij andere prioriteiten dan de meeste mensen om ons heen. Zoân levenshouding zal vragen oproepen en als deze levenshouding vragen oproept, zullen we open staan om daarop in te gaan. Belangrijk is dan, dat we de kernen van ons geloof kunnen verwoorden. Toerusting nodig De IZB legt daarom in de toerusting van de gemeenten veel nadruk op getuigend christen zijn en woorden vinden om ons geloof te communiceren. Het is belangrijk, dat we anderen kunnen laten delen in de ons geschonken hoop. De levenshouding is daarbij belangrijk, maar er is ook een verhaal omheen; het verhaal van de grote christelijke traditie met woorden als schepping, zonde, verzoening, verlossing, incarnatie, opstanding en eeuwig leven. Maar dat zijn voor onze seculiere tijdgenoten en ook reeds voor veel kerkgangers uiterst vage begrippen geworden. We moeten heel dichtbij de grondbelevingen van mensen vandaag komen om het bijzondere en het spannende van deze woorden weer te laten schitteren. Met dat we op deze manier investeren in de toerusting van de gemeente, betrekken we zowel de wacht bij de achterdeur als bij de voordeur. Met andere woorden: veel mensen verlaten de kerk, omdat de grote woorden van de christelijke traditie voor hen leeg zijn geworden. Zij verlaten de kerk door de achterdeur. Maar misschien kunnen we hen toch nog eenmaal, voordat ze definitief vertrekken, duidelijk maken, waar het nu echt om ging. En de voordeur komen mensen alleen maar binnen, wanneer ze ontdekt hebben, dat de grote woorden van de christelijke traditie alles te maken hebben met een andere manier van leven en bestaan, die heilzaam is en perspectief biedt, anders dan alles wat verder in deze wereld wordt aangeboden. Mijn ervaring is, dat hier nog heel veel te doen en te leren valt. Een paar jaar geleden heeft de IZB âAreopagusâ opgericht, âcentrum voor contextuele en missionaire verkondigingâ. Sindsdien hebben heel veel predikanten al cursussen en trainingen gevolgd. Wat dan telkens weer opvalt is, dat het ook voor predikanten nog heel moeilijk is de grote woorden van het geloof zo uit te leggen, dat duidelijk wordt hoe deze alles te maken hebben met het concrete leven van mensen in deze tijd. Maar die oefeningen zijn bijzonder nuttig. Wanneer het predikanten lukt, zullen gemeenteleden dat merken en ook gemakkelijker het gesprek kunnen voeren met hun kinderen, die dreigen af te haken en met collegaâs op het werk, die wel spirituele belangstelling hebben, maar geen idee of het christelijk geloof ook een antwoord voor hen zou kunnen zijn. Bij al het andere wat er over missionair kerk zijn vandaag te zeggen is, ligt hier voor mij wel de spits. âRekenschap afleggen van de hoop, die in ons isâ. (1 Petrus 3:15). Hoe doe je dat vandaag. In welke taal, met welke beelden, die mensen vandaag verstaan? Tenslotte Wanneer we hierin groeien, mogen we erop vertrouwen, dat dit gezegend wordt. Want we leven wel in een tijd van afval en crisis, maar dat betekent niet, dat er vandaag geen mensen meer tot geloof zouden kunnen komen en dat we geen roeping zouden hebben al het mogelijke te doen het evangelie zo te communiceren, dat het verstaanbaar is in deze cultuur. Ooit was de leus van Hoedemaker: âheel de kerk en heel het volkâ. Ooit had Van Ruler het over herkerstening. Die tijden zijn nu voorbij. Kerk en volk zijn zeer ver uit elkaar gegroeid en de kerk is een kleine minderheid geworden. En toch zal de kerk heel het volk op het oog blijven hebben. In plaats van de brede rand van de volkskerk van vroeger is er nu een nieuwe brede rand, gedeeltelijk in de kerk, voor een zeer groot deel erbuiten, van mensen die op de een of andere manier op zoek zijn. Het leven zonder God en zonder hoop is leeg. Ze zijn op zoek. Naar wat? Dat weten ze zelf niet. Wij mogen hen zeggen: datgene waar je naar op zoek bent en wat je zelf niet weet, vertellen wij je. Ooit werd ons volk gekerstend en dat was volgens Van Ruler nooit meer dan een torso. Maar het was wel de moeite waard. Vandaag lijken de laatste christelijke verflagen er weer af-gekrabt te worden en de heiden die er nog steeds onder zat komt weer tevoorschijn. Maar een heiden is geen duivel. Een heiden is ook een mens, naar Gods beeld geschapen. We zullen met het christelijk getuigenis aanwezig blijven in het geheel van de samenleving, zolang als dat kan in het vertrouwen, dat de heilzame invloed van het evangelie ook vandaag nieuwe heidenen kan aanraken. Soms worden ze dan met huid en haar gelovig. Dat is geweldig. Soms zal het hen alleen aan het denken zetten, dat is ook al heel wat. Missionair zijn betekent niet alleen gericht zijn op de bekering van enkelingen. Dat ook zeker. Maar het betekent eveneens erop vertrouwen, dat het evangelie waaruit wij leven en waaraan wij gestalte geven, nooit zonder uitwerking zal blijven, zelfs niet in degenen die het verwerpen. Hiermee hoop ik iets geschetst te hebben van missionair kerk zijn in hedendaags confessioneel perspectief. Wim Dekker, 13 april 2010 |