| Vrees en beven |
Vrezen en beven is geen bangmakerijDe Marburgse godgeleerde Rudolf Otto schreef in 1917 ‘Das Heilige’. Het boek wordt nog steeds herdrukt. Het is van fundamentele betekenis voor het bestuderen van het verschijnsel godsdienst. door Barend Weegink, alg. secr. Otto definieert het Heilige als numineus, goddelijk. Het is een niet met het verstand te bevatten aanraking door het Overstijgende, een bovenzintuiglijke ervaring van een Object buiten jezelf, de Grond van alle dingen. Otto wijst er vooral op dat het Goddelijk mysterie tremendum is, vreeswekkend, ontzaglijk, het doet je sidderen over al je leden. Tremor is het klankwoord voor trilling, beving. Naderen tot het Goddelijke zet een mens in vrees. We zien het in de hof van Eden. Adam en Eva beefden van angst toen ze het geluid van God hoorden. Tegenover de Heilige blijft geen mens staan. De vurige waarheid ontmaskert de onwaarachtigheid. Moede kom ik, arm en naakt. Er is een existentiële vrees voor de dood. God zien is sterven. Bij vrees en beven denken we aan Elia, Jesaja en Jeremia. Ze krimpen ineen wanneer de bovennatuurlijke kracht van God zich openbaart. Ook Paulus weet ervan, telkens wanneer hij het Woord van God wil spreken. Uit zichzelf kan een mens niet omgaan met God, de toegang moet van Boven gegeven zijn. En we zien een Petrus wegzinken in vrees en bevend de hof van Kajafas verlaten. We zien de terugdeinzende horde soldaten tegenover de goddelijke Jezus in de Olijfhof. En de verschrikte soldaten en bange vrouwen en mannen in de tuin bij het lege graf. En de discipelen krijsend van schrik voor een spook op de zee. Niemand is zonder vrees. Het vreeswekkend Goddelijke Geheimenis is tegelijkertijd ook fascinans, fascinerend, zegt Otto. Door Gods aanwezigheid word je aangetrokken, in beslag genomen, overrompeld, gebiologeerd, tot toenadering gelokt. Het raakt de schoonheid, de bewondering, de extase. Een van de belijdeniscatechisanten vroeg dit jaar voor de dienst op de Palmzondag het evangelisch lied: ‘Heer, kom dichterbij, dan kan ik Uw schoonheid zien en Uw liefde voelen, diep in mij’. Hoe toch kun je die grens over gaan, van vrees en beven naar geestelijke genieting en geborgenheid? Jezus zelf heeft de existentiële vrees gekend, toen Hij als een worm kroop over de grond van Gethsemane. Zijn zweet werd als bloeddruppels die op de aarde vielen. Christus heeft aan het kruis de diepste helleangst van godverlatenheid en oordeel doorvoeld. Hij in onze plaats. Wanneer Hij opstaat uit de dood is zijn sleutelwoord: Vrees niet. Zo treedt Hij zijn onmachtige, afvallige leerlingen tegemoet. Op de paasmorgen, op de paasavond en op de volgende zondag is de groet: Vrees niet. Zijn liefde drijft de doodsvrees uit. Hij doet ons samengroeien met zijn sterven en zijn opstaan, als een plant in de natuur. Het christendom heeft zich kunnen ontwikkelen door een vast overwinningsfeit in de werkelijkheid. Het is niet een fopspeen voor bange mensen in donkerland. Als die waarheid er nu niet zou zijn, zouden we stoppen met geloven. Het geloof van de gemeente steunt op het vertrouwen van Jezus. En met diepgevoelde eerbied vrezen we aanhankelijk onze aanbiddelijke God, bij wiens licht de macht der hel verslagen en de dood vernietigd is. De vreze des Heren is het beginsel van de wijsheid. |