| Spreken over God |
|
Op de synode kwam het 'Spreken over God' aan de orde. De nota werd unaniem door de vergadering aanvaard. De kerk gaf daarmee een goed getuigenis.  De kerk heeft duidelijk gesproken Door de algemeen secretaris Wie over God spreekt, doet dat met zijn verstand en met zijn hart. Met een zeker weten en met een vast vertrouwen. Alleen dan is er een oprecht gelovige houding. In de wetenschap dat je onder God staat, de Heilige, Eeuwige, Hoogverhevene. En dat je van de genade van God leeft. Spreken over God is nooit los te denken van een ootmoedige houding. Samen spreken over ‘het goede’, in gehoorzaamheid aan God, zoals mensen op een zomeravond onder een boom kunnen doen of op een winteravond in huiselijke kring, gesteld dat ze daar nog tijd voor vinden. Zulk spreken gebeurt in eerbied en verwondering. Praten we niet te vaak droog over Hem vanuit een intellectueel gezichtspunt? Westers rationeel en filosofisch tussen de oren, maar te weinig vanuit het hart waar Pascal zijn beweegreden vond? Wanneer we met elkaar spreken over God in een persoonlijk getuigenis dat stoelt op het evangelie, komt het geloof weer op. Dan leren we ook weer te spreken mét God, in het gebed. Naar mijn besef is dat de winst geweest van het synodegesprek dat donderdag in Lunteren werd gevoerd. En het mag gezegd: de kerk heeft eenparig gesproken. De nota werd unaniem (alle 141 stemmers voor) aangenomen. In die zin is er wel wat veranderd in de kerk. Ik herinner me een hervormd synodegesprek van vijftien jaar geleden. Het ging over de vraag ‘Geloven we in dezelfde God?’ Je werd verdrietig van het vraagteken en de discussie stond bol van tegenstellingen. Op de huidige synode gaat het onmiskenbaar orthodoxer toe. Trouwens, de synodevergaderingen zijn er ook gezelliger en persoonlijker op geworden. Sommigen vonden de nota te klassiek, te dogmatisch dichtgetimmerd, te betogend, nog te weinig ruimte latend voor de gelovige twijfel. Met nadruk op het woord ‘gelovig’. Maar vooral hoorde ik: spreken over God, dat doe je door trouw te blijven aan het getuigenis van de Schrift en aan het belijden van de kerk. Je praat niet voor jezelf, alsof je het wiel moet uitvinden. Je staat in een geheiligde traditie van zoeken en vinden, je sluit achteraan. Misschien ging de nota nog te veel over God en te weinig over de naam van God. De naam is Heer of Here of Heere. Kerkleider Plaisier stelde dat daar de redactie overheen moet. Hij gaat in de herziene nota, bedoeld als een pastorale handreiking, duidelijk verwijzen naar de Godsnaam in de Bijbel. We spreken niet over een God in het algemeen, maar over Adonai, zoals Hij Zich heeft geopenbaard in de Schrift. Als een teleurgestelde ds. Hendrikse na afloop van de stemming zegt: ‘Ik wist niet dat het in de kerk zo erg kon zijn’, dan heeft de kerk goed gesproken: Credo in unum Deum. Het belijden van de kerk stelt grenzen. Langs een moeizame weg komt er hoogte en diepte tot stand. Toen de vroegere ds. Buskes vastliep in zijn geloofswerk, troostte hem het woord van de Here uit Jes. 44: 21 ‘gij wordt door Mij niet vergeten’. Het bracht hem terug tot het getuigenis van de levende God, die zich verborgen houdt en toch de Heiland is (Jes. 45: 15). Dezelfde taal voor het hart is er nu. (Barend Weegink in column voor Confessioneel) |