|
Tien kleine christenen... een beeldgedicht over terugloop en vooruitgang, het eindigt zelfs met twaalf en meer. Handig te gebruiken misschien. Kent u het?
 Tien kleine christenen ontvingen saam de zegen, één vond de preek de moeite niet, sliep zondags uit, toen waren er nog negen.  Negen kleine christenen, ze baden dag en nacht, één bad en kreeg niet wat hij vroeg, toen waren er nog acht.  Acht kleine christenen op de smalle weg door 't leven, één vond de brede weg zo mooi, toen waren er nog zeven.  Zeven kleine christenen, ze lazen elkaar de les, één werd er boosen zei:'Adieu', toen waren er nog zes.  Zes kleine christenen, actief in het kerkbedrijf, één miste wat of had er geen zin meer in, toen waren er nog vijf.  Vijf kleine christenen, traditie in de banier, één hoorde ’jullie God is dood’, zei de kerk vaarwel, toen waren er nog vier.  Vier kleine christenen deden kerkbouw vol energie, één werd in ’t kerkblad niet genoemd,g een erelint, toen waren er nog drie.  Drie kleine christenen, elk had zo zijn idee, één werd oneerlijk miljonair, toen waren er nog twee.  Twee kleine christenen, je zag het al meteen, met ruzie wie de grootste was, toen was er nog maar één.  Eén heel oprechte christen, vol van lieve vree, zijn vijand werd een goede vriend, kwam ook, toen waren er weer twee.  Twee heel bescheiden christenen, aan het werk met veel plezier, zij vroegen niets, zij deelden uit, toen waren er weer vier.  Vier heel gewone christenen, zij hielpen dag en nacht, en die geholpen werd, hielp mee, toen waren er weer acht.  Acht vriendelijke christenen, zij vroegen God om zegen, maar vroegen er ook mensen bij, toen waren er weer negen.  Negen kleine christenen, gelovig op naar God gezien, zij zongen samen gloria, oen waren er weer tien.  Tien kleine christenen, zij brachten Hem tot leven, en spraken in de kerk ervan, wat Jezus had gegeven.  Elf kleine christenen, zij leefden zoals Hij, zo kwamen er weer, net als toen, in één dag velen bij.  Twaalf kleine christenen, verwachtten het van boven, en hoe groot toen hun aantal werd, ’t is haast niet te geloven!  (bewerkt gedicht, gebruikt op een zondagmorgen aan het eind van een preek over Andreas (Joh. 1: 42b-43a), Oude- of Andreaskerk, Katwijk aan Zee, Barend H. Weegink). |