Studiedag over het ambt: begin je eraan?

Predikanten moe van de druk om creatief te zijn. Studiedag CV/Schrift en Belijden in Utrechtse Jacobikerk.

 

Utrecht - Zou je nog predikant moeten willen worden in een tijd waarin de kerken leeglopen? ‘Ik begon fris en vol idealen, maar na vier jaar ben ik ontnuchterd.’

Een op de drie Nederlanders met een gewetensprobleem ging daarmee in 1966 naar een geestelijke. Vandaag geldt dit nog voor een op de tien Nederlanders. Wat moet een beginnend predikant met dit gegeven?

Het is een van de voorbeelden die gisteren in een zaaltje in de Utrechtse Jacobikerk werden besproken door zo’n 25 theologiestudenten en net begonnen predikanten, tijdens een werkdag georganiseerd door de Confessionele Vereniging binnen de Protestantse Kerk. De vraag die centraal stond: moet je nog wel beginnen aan het ambt van predikant? En als je net begonnen bent: hoe houd je het vol? Want volle zalen trek je als predikant niet meer in Nederland.

Socioloog Joep de Hart, auteur van het boek Zwevende gelovigen en hoogleraar aan de Protestantse Theologische Universiteit, verzorgde een inleiding. Zijn verhaal over de exodus uit de grote kerken is bekend. Hij stelt dat als de ontwikkelingen van de afgelopen decennia zich voortzetten, de oude volkskerken gereduceerd dreigen te worden ‘tot een soort laagdrempelige bejaardenhuizen met de dienstdoende geestelijke als executeur-testamentair’.

De Hart was niet gevraagd om te somberen. Hij gaf de aanwezigen tips mee waarmee kerken volgens hem aan de slag kunnen. ‘Heb oog voor levensfases en leefstijlen, durf te experimenteren, blijf positief, investeer in maatschappelijke vaardigheden en sluit aan bij lokale issues’, zei de socioloog onder meer.

Een enkele aanwezige theologiestudent of predikant gaf te kennen zin te hebben om die uitdaging aan te gaan, maar een ander geluid overheerste. ‘Ik begon fris en vol idealen, maar ik ben ontnuchterd’, vertelde een vrouw die vier jaar terug als predikant begon. ‘Ik ben een manusje van alles, meer manager dan geestelijke. Dat klopt niet. Ik vind het een ongeestelijk beroep.’

Interim-predikante Anne Verbaan reageerde ook: ‘Predikanten worden gesommeerd te experimenteren, creatief te zijn, naar buiten te treden. Ik word er soms zo moe van. Het hangt steeds meer van de persoon af. En als het mensen even niet zint, gaan ze weg, of naar de buren. De druk op een predikant wordt steeds groter.’

Andere aanwezigen herkenden zich in haar verhaal, en gaven aan zich soms af te vragen wat ze verkeerd doen als er steeds meer mensen de kerk verlaten. ‘Je moet niet gelijk denken dat jij iets verkeerd doet’, antwoordde De Hart. ‘Veel problemen die in de kerk spelen – verminderde trouw en loyaliteit bijvoorbeeld -, zien we ook terug bij de voetbalvereniging. Het zit in de hele maatschappij.’

Ter afsluiting vertelde De Hart nog een anekdote over de negentiende-eeuwse Franse filosoof Alexis de Tocqueville, die tijdens de Parijse junirevolutie in 1848 de straat op ging. Tussen de brandjes en barricades zag de filosoof een menigte rennen, met daarachter een man. De Tocqueville hield de man staande, en vroeg waarom hij achter de groep aanholde, waarop de man antwoordde: ‘Ik moet wel, ik ben hun leider.’

(bron: Nederlands Dagblad, Maurice Hoogendoorn, 9 nov. 2011)