| Aalderslezing ds. Stam over moderne ontmenselijking |
|
Ds. P.J. Stam (Katwijk) sprak op 7 september 2010 voor de vereniging Elim in de Bethlehemkerk in Den Haag over het boek dat hij deze zomer publiceerde over het leven en werk van de theoloog dr. W. Aalders. Hij refereerde over 'de ontmenselijking van het moderne leven'.
door ds. Pieter J. Stam
Van collega Weegink zullen we horen hoe Aalders dacht t.a.v. de ziel en waar met name zijn denken over de ziel haar oorsprong had, namelijk bij Blaise Pascal en in diens spoor de ethische theologie. Chantepie de la Saussaye en vooral de oude Gunning. Ook vertelt hij ons waarom Aalders zo heel nadrukkelijk wees op het belang van het persoonlijke in het geloof, de ziel, noem het wat mij betreft het particuliere of bevindelijke of ethische element. Op mijn beurt wil ik u graag laten kennismaken met zijn gedachten over de waardering van de ziel en haar eigen leven in de moderne samenleving. Dit alles om u ‘lees-gierig’ te maken naar zijn gehele werk. Nog maar kort geleden, februari dit jaar, verwees dr. ds. A.A.A. Prosman m.i. terecht op het feit dat de kerk zich veel te weinig bezighoudt met de omslag in het Westen van een christelijke naar een heidense cultuur. Hij citeerde de Canadese filosoof Charles Taylor, die de secularisatie omschrijft als „de heiligverklaring van het gewone (dat is het zichtbare, uiterlijke tijd-ruimtelijke) leven.” Dr. Prosman: Als gevolg daarvan leeft de mens nu in een leeg heelal en staat hij er zelf voor. „Dat is de kern van de moderniteit.”Deze tijdgeest zit ook in de botten van christenen. Die beseffen veel te weinig hoe diepingrijpend deze cultuuromslag is, zo zei hij. „We weten niet beter. Daarom is het ook zo lastig om de tijdgeest te verstaan, laat staan te weerstaan.”Volgens hem zijn ook orthodoxe theologen tekortgeschoten in de confrontatie met de tijdgeest. Welnu, als er ooit één orthodoxe theoloog is voor wie dit verwijt absoluut niet geldt dan is het dr. Willem Aalders. Al direct na de oorlog en de hele rest van zijn leven is hij met deze vragen bezig is geweest. Al vanaf het begin van zijn werkzame periode in de kerk schreef Aalders dikwijls over de ziel van de moderne mens. Aalders poneerde toen al dat de mens en de tijd rationalistisch, technisch, logisch, mathematisch, wetenschappelijk is geworden. Alles wordt alleen nog maar verstandelijk benaderd. Je merkt en ziet en voelt en proeft het alom om je heen en in jezelf. Kijk naar de fabriekshallen, de flatgebouwen, het moderne verkeer, de zogenaamde moderne kunst en vandaag de dag kunnen we er aan toevoegen de laboratoria, de bio-chemie, de techniek, de ruimtevaart, en ga maar door. Heel het moderne onderwijs en de wetenschap denken nog slechts in tijd en ruimte, in lengte en breedte, maar dat levert slechts oppervlakte op. Het mist de hoogte, diepte en dus ook de inhoud. Want lengte maal breedte maal hoogte is inhoud. Alleen het verstand lijkt nog de poort tot het verstaan van de werkelijkheid. Alles even zakelijk, even koud en kil. Zelf zou ik het willen noemen de weg van de ziel naar het verstand, in de kunst de weg van Rembrandt naar Picasso, Herman Brood, Mondriaan, Wolkers en dat soort figuren. We hebben onze ziel gedresseerd en gedwongen in een technisch-rationalistisch keurslijf. De moderne westerse mens tracht zich daarmee te ontzielen, zij is nagenoeg ontmenselijkt. Zij leeft gerobotiseerd.
Wat maakt de mens nu mens? Wel niet een of andere vaste kern zo betoogt Aalders maar het feit dat hij mens is in relatie. In betrekking. Zijn bestaan is niet in zichzelf geworteld en gegrond, maar altijd vanuit iets of iemand anders. Dat maakt de mens persoon met een persoonlijkheid. En die persoonlijkheid wordt nu bepaald door dat of diegene wat of wie de mens weerspiegelt. Wiens masker, in de oude Griekse tragedies een persona, hij draagt. Ik citeer: ‘Het is voor het inzicht in de mens van de allergrootste betekenis, dat wij ons innerlijk leven zó leren ontdekken.’ Want ook de Bijbel ziet de mens als wezen-in-relatie. Dat vatte de antieke wereld op als ‘persoon’ en de Bijbel als ‘beeld en gelijkenis’. Eerst schiep, formeerde de Heere de aardbodem, de stof, de adama tot een lichaam, met alle kunstwerken erop en eraan en vooral erin – organen, waaronder ook het denkend bewustzijn met herinnering, waardebesef enz., een Adam derhalve – en later trad hij met dat lichaam, die Adam in gemeenschap, blies hij de adem des levens in hem, dat is Gods Geest en dat betekent niets anders dan dat God tot dat levenloze lichaam sprak. Want adem, Geest en Woord zijn één. Daaruit moeten wij concluderen dat de mens door God zódanig is gestructureerd, dat al die organen tot en met mijn nagels, mijn haren en huidcellen toe … dat die ontvankelijk zijn voor, antennig dat is gericht zijn op, behoeftig zijn aan Gods Woord en Geest. Bestemd om Gods stem te horen en te antwoorden. Verantwoordelijk naar Hem. Ook ziel en lichaam zijn in Aalders’ visie, in navolging van de Schrift en van Luther, één. Het lichaam van de mens is dus wezenlijk meer dan de moderne wetenschap ons wil doen geloven, een machine, een hogere ontwikkelingstrap van dieren en van planten. Het lichaam is geestelijk mediamiek begaafd. Het lichaam is door en door geestelijk, dat wil zeggen op de Geest aangelegd, Geestbehoeftig, voor de Geest bestemd en de mens is dan pas ten volle mens wanneer Gods Geest in hem woont door het geloof en de bovenwereld. Alleen zo is hij levende ziel. De ziel dus is het geestelijk mediamieke aspect van de mens en diens lichaam. Vandaar ook dat de ziel niet losgemaakt mag worden van het lichaam laat staan verzelfstandigd tegenover en belangrijker geacht dan het lichaam. ‘God hebbe zijn ziel’ is onbijbels taalgebruik. Zondag 1 heeft het over ziel en lichaam beide. Nogmaals, het voorgaande betekent dat de mens naar lichaam en ziel in gemeenschap met God kan leven. Die ziel nu, dat geestelijk mediamieke aspect van de mens en zijn lichaam is dus niet te scheiden van het lichaam maar wel te onderscheiden. Dáár nu, in die zielselementen, in dat ontvangststation voor de uitzendingen van Gods stem, van Woord en Geest kan het ontzaglijke plaatsvinden in deze zichtbare, met allerlei lichamelijke zintuigen waarneembare, ruimtelijke werkelijkheid beperkt door tienduizenden natuurwetten van het contact met, het gemeenschap hebben met de Schepper van hemel en aarde! Het ontzaglijke noemde ik dat omdat Gods werkelijkheid een Geestelijke werkelijkheid is, niet zichtbaar en zintuiglijk waarneembaar, niet ruimtelijk, niet beperkt door tienduizenden natuurwetten! Dat is niet anders dan God en mens, dan de hemel op aarde, dan de eeuwigheid in de tijd, dan genade in de natuur. Dat is eigenlijk een klein Immanuël. En dat alles geschiedt zoals wij dat zeggen ongescheiden en ongemengd. God blijft zo God en de mens blijft zo mens. Dat nu noemen wij Gods verborgen omgang, de unio mystica. Dat is een ontzaglijke werkelijkheid. Dat is zo groot dat zulks slechts plaats kan vinden door de crisis van de rechtvaardiging van de goddeloze heen. Aalders volgt daarin meer dan enig ander Maarten Luther en is daarom alleen al door en door reformatorisch. Waarom door de crisis van die rechtvaardiging heen? Omdat die geestelijk mediamieke mens prooi is geworden van zijn neiging naar de diepte, naar de chaos, naar het ‘niets’. Dat die mens in rebellie, in opstand tegen God is gaan leven. Dat die mens ónafhankelijk’ en ‘autonoom’ wilde zijn. Ik citeer: ‘In die hoogmoed proclameerde hij zich in de wereld als een geniaal, goddelijk, soeverein wezen, dat oorspronkelijkheid en oergeldigheid bezit, en dat daarom louter en alleen uit zichzelf begrepen kan worden en wil handelen. In plaats van zich als mediamiek-aangelegd schepsel volkomen afhankelijk te weten van en horig aan God, waant hij zichzèlf Geest, zichzèlf God. Hij is vanaf nu aan de enige God in de wereld; hij is de enige grond waarop de schepping rust.’ Maar … en dat is in het kader van deze lezing een heel belangrijke notie, zeker voor ons staan in deze tijd en onze houding tegenover de moderne Godloze mens …. ‘óók als “vlees” is de mens nog het geestelijk-mediamieke wezen, dat hij van den beginne was. Alléén, - de geestelijke macht, waarop hij thans als medium gericht en betrokken is, is niet meer de Geest Gods, maar het “vlees”. En omdat het “vlees”een anti-goddelijke, anti-geestelijke macht is, daarom heeft deze macht in de mens ook een ontgeestelijkende uitwerking.’ ‘Dat betekent, dat door het “vlees” allengs meer de oorspronkelijke, hoge, geestelijk-mediamieke begaafdheid van het lichaam afsterft en verkommert.’ Ziedaar zijn schuld tegenover God. Waarvan hij tegelijk zelf het grootste slachtoffer is in wat wij dan dogmatisch noemen ‘de gevolgen van de zonde’. Desondanks zijn de merktekenen van ’s mensen geestelijke herkomst nog te herkennen. Zij het steeds minder en steeds grover en steeds vager. Vandaar ook dat ik navolging van Aalders’ denken en daarop voortbordurend een heel eigen mening heb over hoe de moderne mens te benaderen met het Evangelie. Maar daarover later. Dit alles nu brengt met zich mee dat de mens in de loop van de geschiedenis steeds weerbarstiger en onbuigzamer wordt ten aanzien van Gods Woord en Geest … Gods stem. Het verzet neemt allengs toe, de weerstand wordt steeds feller. Er is niemand die God zoekt tot niet één toe. Nee, we moeten verder denken en zien … de haat tegen God, zonder enige oorzaak, wordt alleen maar groter. En krijgt ook een steeds meer theoretisch intellectueel gehalte. En een evangelisatiecampagne op een marktplein tussen twintigste eeuwse mensen in een op hol geslagen multi-culturele samenleving met foldertjes en gesprekken waarin men tegen die mens zegt ‘Jezus heeft u lief’ mag heel goed bedoeld en oprecht zijn en door uiterst integere christenen opgezet. Maar zij slaat de plank volledig mis en is als een kus in het luchtledige. Wij dienen opnieuw en in onze cultuur steeds meer en dieper te beseffen dat het tot geloof brengen van één enkele mens geen stukje ‘catechese’ of ‘geloofsoverdracht’ of ‘missionaire bewogenheid’ vraagt maar het diepe besef dat het puur soeverein welbehagen van God is, Gods werk. Ook daarin geldt dat het niet door kracht of door geweld maar door Zijn Geest alleen geschiedt! Want de tegenstand, en dat is de schuld van de mens, is zó ontzaglijk groot dat er een crisis voor nodig is … een crisis dieper en ontzagwekkender dan de geboorte van een mens, ja, dieper en ontzagwekkender dan welke lancering van welk ruimtevaartschip dan ook, ja zelfs nog groter dan de geboorte van hemel en aarde uit het niets … ja het is niet anders dan het vestigen van het Koninkrijk Gods, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde in het innerlijk van een mens. Dat nu is de oorzaak van een continue geestelijke strijd op leven en dood tegelijk met de unio mystica, de verborgen omgang met God. Dat is bij Aalders altijd en per sé een omgang in strijd! Aalders heeft niet veel op ‘geestelijke genietingen’ en ‘gouden uurtjes van korte duurtjes’ met ‘kusjes’ van de Zaligmaker. Dat was voor hem veeleer een vorm van verworden, verspiritualiseerde, verziekte godsdienst. Daar moest hij niets van hebben. Daar heeft de mens zich teruggetrokken uit de werkelijkheid van het gevloekte en gebroken bestaan in een geestelijk vacuüm. Dat is een vlucht, hoogverraad. Wie Aalders, en hier gaat hij in het spoor van Luther en Kohlbrugge, enigszins verstaat en doorgrondt weet dat bij hem geloven altijd en per sé is geloven tegen het verstandelijk verzet in. Geloven is leven op het scherpst van de snede, op de rand van de volkomen vertwijfeling in de volslagen zekerheid. Geloven is strijden. En dan zodanig dat midden in zware strijd en aanvechtingen het gevoelen van Gods nabijheid sterk gemist kan worden, maar toch de roem van het geloof gevonden wordt. ‘Ik zal Hem nog loven, want Hij is de menigvuldige verlossing van mijn aangezicht en mijn God.’ Vandaar dat hij steeds weer vocht voor een krachtig geloof verwoord in een onwankelbaar en vast belijden. Waar God het altijd wint maar het is een overwinning door het tegendeel, het is victorie door het kruis en het bloed en de dood heen. Het is uiterlijk de nederlaag lijdend nochtans overwinnen. En dat geldt óók de geloofsexperientia van elke dag. Dat is bevindelijk geloven! Het is verliezend overwinnen en twijfelend zeker weten. Dat doet Aalders zo dicht wonen bij Luther en Kohlbrugge maar óók in weerwil van wat velen beweren, dicht wonen bij al die irreguliere figuren als Paauwe en Rustige en vele anderen. Aalders’ horizon is echter veel breder en zijn blik veel wijdser. Hij kent niet het isolement en de ecclesiola-gestalte. Maar wel die onopgeefbare lijn van het dualistische, het dubbele, het tweepolige in gans de werkelijkheid en het leven en de beleving! Dat is wat Calvijn zegt in diens Institutie III – 2- 15-20 “Voorwaar, wanneer wij leren, dat het geloof zeker en gerust moet zijn, zo hebben we niet in de zin te spreken van zulk een verzekerdheid, die van geen twijfel geraakt, noch van zodanige gerustheid, dewelke door geen bekommering wordt overvallen, maar zeggen veeleer dat de gelovigen een gedurige strijd hebben met hun eigen mistrouwen.” De strijd is dus een wezenlijk onderdeel van diens dualistische dialectiek waarmee hij blijvend op zoek is, door steeds opnieuw te overdenken en te formuleren en te reformeren, naar de meest adequate en heldere en verstaanbare verwoording van het onuitspreekbare en onverwoordbare geheim van Gods spreken. Wat typeert nu die unio mystica, dat aangesproken zijn door Gods stem en het antwoordend geloven? Wat typeert nu een mens die door die crisis is heengegaan – pas dan kan en mag zich een gelovige noemen, of die crisis heel kort en heel bewust of langdurig en minder bewust plaatsvond, toch is zij wat Luther noemde ‘experientia’, noem het ervaring of mijnentwege bevinding – en in wie door het geloof in Jezus Christus het koninkrijk Gods, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde woont? Anders gezegd … wat zijn in deze tijd de kenmerken van zulk een strijdend en tegelijk voortdurend lijdend (nl. aan eigen zonde en kwaad in verband met de wereldzonde en het wereldkwaad) christen? Wel, niet die rationalistische en dogmatisch gevormde en begrensde kenmerken die men in oudere tijden tegenkomt. Wel zou ik willen zeggen met een aantal vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie en met Aalders dat die kenmerken verscholen gaan en openbaar worden in de praat, de maat, het gelaat, het gewaad en de daad van een zodanig mens … maar dan niet in de bekrompen en verkokerde en inktzwarte vorm van het hyper- of zoals van Ruler het noemde het ultra-gereformeerde denken. Nee … voor Aalders wederom achter Luther en Kohlbrugge aan, en ik val hem daarin van harte bij blijkt de aanwezigheid van de bovenwereld in een mens in het al strijdend en lijdend, al verkerend midden in de oorlog en de crisis en de strijd, uit het nochtans … Nochtans kind zijn, nochtans kunstenaar zijn, nochtans creatief zijn, nochtans onschuldig zijn, nochtans lyrisch en aanbiddend leven, nochtans vierend leven middels liturgie en zang, en vooral midden in de gevangenschap van de gebroken en gevloekte werkelijkheid van deze wereld en haar werkelijkheid nochtans staan in de vrijheid van een christenmens. Een vrijheid van een zodanige allure dat er soms natuurwetten door worden opgeheven, dat er sprake is van ‘wonderen’. Wellicht is een prachtig verzamelwoord … ‘ruimte’. ‘G’omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt, met blij gezang dat mijn verlossing meldt. Al jong ontdekte ik, en zo ben ik Aalders later ook gaan verstaan, dat de mens voortdurend dat kind, die kunstenaar, die lyricus, die onschuld, die vrijheid in zichzelf vermoordt. Daarmee bedoel ik dat hij niet langer als een kind afhankelijk, dankbaar en zich verwonderend wil leven met een heerlijke, prille, ongerepte levensvreugde en altijd vol verwachting. Temidden lijden strijd en dood. Nee, hij is mondig en autonoom geworden. Hij schaft de bovenwereld en schroeit het geweten dicht. Dat zie je vooral aan het kind. Enkele maanden terug schreef ik al in mijn column in de Katwijksche Post: ‘Eer een kind tegenwoordig echt kind kan zijn is het al kind af.’ De verwondering over de natuur, de schepping, de sloten met de kikkervisjes en de stekelbaarsjes en de waterjuffers, over de weiden met boterbloemen, madeliefjes en pinksterbloemen heeft plaats gemaakt voor een kille omgang met computers, ipods, de moderne massamedia en een oppervlakkig, horizontaal en dikwijls platvloers leven. En koningin Beatrix wees er al op, zelfs de communicatie-vormen zijn totaal veranderd. Het persoonlijke gesprek, het elkaar in de ogen kijken en aanraken heeft plaatsgemaakt voor chatten, e-mailen, twitteren, sms-en. Een groot en nog steeds groeiend aantal mensen heeft moeite met tactiele omgang. Ja, de mens is het kind in zichzelf kwijt, en daarmee de kunstenaar, de lyricus, de dichter en de schilder. Er is geen denken met de ziel meer, geen geestvervoering, geen lyriek. De mens wordt hoe langer des te meer negatief geestelijk-mediamiek. Wie dat positief is, en dan bedoelt Aalders christelijk, is abnormaal. Nog even en de echte mensen met een ziel, zitten in inrichtingen of zijn fossiel te bewonderen in musea naast de tyrannosaurus rex. Toen bestonden er nog ‘christenen’. Jezus sprak niet voor niets, nadat Hij een kind tot Zich geroepen had, ik citeer uit de prachtige Naardense Bijbel: ‘zeker is het, zeg Ik: als ge niet omkeert en wordt als deze kinderen, zult ge het Koninkrijk der hemelen nooit binnenkomen!’. Welnu, daarmee doelt Hij op dit proces van de ontmenselijking. Daar is maar één ding tegen bestand, de ommekeer naar het kind-zijn. Dat is hier synoniem met de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof, met de wedergeboorte. Als deze kinderen. Daar is veel over nagedacht. Maar vaak veel te los van de rest van de Schrift. Ik denk aan Mattheüs 11: 25 Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Daar staat voor kinderen nepios. Dan denken we aan aan een jongen als Jozef bij farao, aan een knul als Daniël bij Nebukadnezar, aan een jongen als Jezus temidden van de Schriftgeleerden. Dat zijn zij die het geheimenis van het gedragen worden als een lam op de schouders van de Goede Herder leven. En wat maakt de mens van nu zo vermoeid en belast? Is het juist nu haar eigen schuld? Dat autonoom en onafhankelijk willen zijn? Dat zelf alles moeten weten en oplossen en regeren en bepalen in een vreselijke haast agressieve krampachtigheid omdat mijn leven, mijn huwelijk, mijn gezin, mijn werk, mijn toekomst, ja de hele wereld uiteindelijk van MIJ, DE MENS afhankelijk is. O al die verstandige mensen bij elkaar zonder Jezus! Al die intellectuelen zonder Jezus! Ontmenselijkte mensen. Zijn er nog kinderen … kinderen Gods in de wereld? Mensen met een hart, een innerlijk leven. Toen bestonden er nog christenen. Maar, zo zegt Aalders in diens artikel over de ziel van de moderne mens, de talloze en in aantal nog immer toenemende volkomen ontwrichte individuen, neurotici, suicidalen, en psychopaten en depressieven en wanhopigen zijn ten diepste het bewijs daarvan dat het innerlijk van de mens zich tegen die ontmenselijking verzet. Want al denkt de moderne atheïstische mens en tijd louter rationeel, logisch en mathematisch. De ziel niet! Achter en onder en boven ons verstandelijke denken en ten diepste eraan vooraf gaat het gevoelsmatige, affectieve denken. Het afhankelijke denken. Dat denkt niet in maten en getallen en formules maar in waarde-categorieën. In de Bijbel vindt men dat op elke bladzijde. Licht is niet maar een lamp maar voor het geloof symbool van God en Zijn Rijk, van Christus, van bevrijding en verlossing. Van in ruimte zetten! Vandaar de mooie hoge ramen in de oude kerken, de lichtinval en de kaarsen. En duister is symbool van de nacht en het ongedierte, van satan en het kwaad. Denk slechts aan de hell’s angels met hun zwart leren kleding of de gothics en de satansreligie. Links is voor de gelovige negatief, het mindere. Maar rechts is het hogere. Denk aan de bokken en de schapen. Aan Gods sterke rechterhand en Christus zittende ter rechterhand van de Vader. Dit zijn elementaire zielevoorstellingen die rationeel ontoegankelijk zijn. Hetzelfde geldt ook voor niet-gelovige of anders-gelovige mensen. Het is het restant van de antenne voor de signalen van Boven. Het bezinksel van Gods Adem in Adams neusgaten waardoor Adam werd tot een levende ziel. Dat affectieve denken bevat de laatste sporen van de ontvankelijkheid van de ziel voor God. Welnu, we zijn ons niet half bewust wat een algemeen menselijke, religieuze en culturele armoede deze humanistische reductie van het zieleleven, dit gebrek aan affectief en symbolisch besef, het verdwijnen van de bovenwereld en de binnenwereld met zich meebrengt. In plaats daarvan zien we nu de godsdienst verplaatst worden naar de erediensten van sportevenementen en de massale bijeenkomsten, denk maar aan wat er plaatsvindt en wat men over heeft voor sport, aan de ceremonie rond de begrafenis van bv. iemand als André Hazes, de concerten van André Rieu en dergelijke. Waar mensen loven en prijzen, smeken en huilen … kortom waar de mens in plaats van de God van de Bijbel zijn afgoden in lijkt te hebben gevonden. In zulk een wereld leven wij nu. De vraag die ik tenslotte wil stellen is: hoe daar nu als Kerk van Christus vandaag de dag in te staan? Al eerder merkte ik op dat ondanks die ontmenselijking, die verharding en verintellectualisering en vermaterialisering van de moderne mens de merktekenen van ’s mensen geestelijke herkomst nog immer zijn te herkennen. Zij het steeds minder en steeds grover en steeds vager. Vandaar ook dat ik navolging van Aalders’ denken en daarop voortbordurend een heel eigen mening heb over hoe de moderne mens te benaderen met het Evangelie. Het is dus meer dan ooit ook zaak als Kerk op die merktekenen te letten, ze te zoeken en daarop in te spelen. Hoe vandaag de dag het Evangelie aan de man brengen? Hoe vandaag de dag te preken? Hoe vandaag de dag te evangeliseren? De moderne revolutionaire apostolaatstheologie met haar Kerk en wereld van de tweede helft van de vorige eeuw bleek een fatale mislukking. Zullen wij als heel veel gemeenten in het isolement van de eigen groep duiken en de wereld mijden, ja haar aan zichzelf overgeven als een soort van secte zoals men in bepaalde ‘refo-sferen’ jaren heeft volgehouden en zoals hier en daar nog sterk wordt bepleit? Nee! Zegt Aalders. Meedoen met de, vooral vanuit het angel-saksische overgewaaide en ten diepste modern-doperse en puur mensmiddelpuntige en dus humanistische evangelicale mode van onze dagen? Nee! Zegt Aalders. Of onszelf op allerlei wijzen in de wereld populair willen maken en mee willen doen middels allerlei toeters- en bellendiensten waar de mensen godsdienstig vermaakt worden en missionair actief worden middels allerlei commissies, folderacties, alfa-cursussen en weet ik al niet wat? Nee! Zegt Aalders. Of, als zovele huidige meerdere organen in de kerken, tegen beter weten in verdrinken in naar wereldse, bedrijfsmatige snit gesneden procedures, regels, beleidplannen, vergaderingen, stapels peperdure publicaties en een hyper-‘verorganiseerde’ bedrijfscultuur? Nee! Zegt Aalders. Moeten we dan naar het pleidooi van prof. dr. A. van de Beek, wiens theologie overigens neigt naar het patripaschitisme en het docetisme, zoveel mogelijk terug naar de Vroege Kerk, de Patres en hun ‘methode’ volgen? Hoewel zijn gedachtegoed zeer dicht bij Aalders lijkt te liggen is het toch anders. In mijn optiek geeft Van de Beek nogal monistisch de wereld echt op en is hij veel Barthiaanser dan hij zelf vermoedt. En daarom luidt het antwoord van Aalders en ook van mij op al deze ‘antwoorden’: Nee. Dat zijn allemaal uiteindelijk rationeel gekozen berekenende doodlopende wegen waarop de Kerk zichzelf en haar identiteit uiteindelijk zal verliezen. Hoe dan wel? Geen wereldwijding en geen wereldmijding. Veeleer en veelmeer nadenken over hoe sta ik, hoe staan wij als christen in die wereld. Jezelf afvragen wat die ander aan mij ziet en afleest. Geef ik aan de minderbedeelden? Kan ik ook een paar avonden/dagen per week zonder televisie? Doe ik mijn zaken eerlijk en recht? Heb ik contact met mijn naasten … dat zijn de ‘mijnen’ maar ook m’n buren, wat voor mensen het ook zijn en hoe zij ook leven? Of leef ik eigenlijk toch wel heel modern ik-gericht in m’n eigen isolement zonder dat door te hebben? De Kerk heeft midden in deze god-loze cultuur gewoon Kerk te zijn. Dat wil zeggen omhoog gericht voort te gaan. Wij houden in eenvoud onze huiselijke godsdienst, in gebed, schriftlezing, stille tijd en zang. We doen dat niet ellenlang en overdreven maar laten dat bij de kinderen erin sijpelen als een druppel die de harde steen uitholt. Ondanks alle kritiek en commentaar van de buitenwereld. Want wij zijn Kerk. Zij hoeft niets te doen of te laten. Zij moet niet werken. Ze moet zeker niet geliefd willen zijn. Ze moet Zichzelf zijn. Zij en haar leden moeten slechts ‘persoon’ zijn. Positief geestelijk-mediamiek. Als gezondene van de Vader, als lichaam van DE gezondene van de Vader in deze wereld. Zo bedrijft zij geen zending maar is zij, met eerbied bedoeld, Gods ‘zendings-bedrijf’. En daar moet zij het hebben van het Woord alleen, van het geloof alleen, van genade alleen. Dat was wat in de reformatie herontdekt werd en wat Aalders ook nu herontdekte. De Kerk is Gods woonstede op aarde. Schoon en heerlijk. Irritant en aanmatigend. De rest is teveel. In mijn beeld: zij moet weer worden als een kind tussen de zogenaamde grote mensen, tussen alle groten der aarde en de showbuis- en mode- en film- en sportsterren. Daar houdt zij zich min of meer afzijdig van. Want zij vindt dat alles maar relatief. De grootste schat is niet deze wereld en haar gedaante, niet dit leven en haar genietingen, niet je gezondheid of wat dan ook. Niet je WK enzovoort maar haar grootste schat is Jezus Christus, Zoon van God en Zoon des mensen. Hij is ons centrum., dan weer lovend en prijzend en jubelend en zingend, dan weer smekend en huilend en missend en in heimwee. In die eenvoudige gedaante is zij zoutend zout en lichtend licht. Zij moet leven vanuit en geregeerd door haar ziel en haar zielekoning, haar zielebruidegom. Zoals een toren omhoog wijst zo leeft de Kerk omhoog. En dat heeft zij te doen middels het affectieve denken. Het denken met het hart. Heel persoonlijk, heel particulier bevindelijk. Met in dat leven Vader, Zoon en Geest en het Woord centraal. De Kerk (en al haar leden), moet weer dichter, poëet, kunstenaar, schilder, beeldhouwer, lyricus worden. Ge-‘affect’-eerd leven! Meeslepend, belijdend, getuigend en het verstand daarin meenemend Dan zal er weer kracht van haar uitgaan, een wonderlijke afstotings- en aantrekkingskracht. Alleen zo ontstaan ook tussen mensen relaties. Alleen zo zullen mensen zich ergeren, verwonderen, in gesprek gaan. In de weg van aantrekking en afstoting. De affectieve zielscultuur van de Kerk stoot de huidige verstandscultuur van de moderne westerse wereld af om haar te trekken, en shockeert haar om haar te lokken. Wij hebben in onze verrationaliseerde en verstandelijkte maatschappij onvoorwaardelijk te staan en te gaan vanuit onze door Gods genade wedergeboren ziel. Inclusief al onze fouten en gebreken. Dat is nu wat Spruijt in een prachtige studie n.a.v. Aalders terecht noemt verwortelde openheid. Het is de klassieke Hervormde gezindheid. Ja, zoals een kind in een rampgebied na een tsunami of een aardbeving kan spelen met een paar blokken en kan schateren temidden van lijken en rouw en ellende … waar alle ‘verstandige’ mensen huilen of wanhopig terneer zitten en niets meer zien en met de moed der wanhoop weer iets trachten te bouwen en zeggen: ‘de situatie is ernstig … maar niet hopeloos.’ Zo ‘speelt’ met eerbied bedoeld de Kerk in deze ontzielde samenleving op de rand van de vertwijfeling en in het heetst van de strijd met haar … heilsgeheim en wacht zij stil op Gods ontferming. Want, zo zegt zij en zo leeft zij, ‘de situatie van de wereld en haar geschiedenis is hopeloos maar niet ernstig!’ Daarbij is zij geroepen haar ganse institutionele gedaante zo eenvoudig en sober mogelijk te maken. Er zal heel veel afgeschaft dienen te worden, allerlei vergaderingen, organen en commissies. De nadruk dient te vallen op de gemeenschap onderling, op de ontmoetingen en de gesprekken. Op het persoonlijke (ik denk aan het boek van Paul Tournier “Le Personnage et la Personne”) en ‘bevindelijke’. En ons gebed en onze hoop is dan dat van daaruit veel meer echte christenen in de wereld zullen komen. Dan gaat er wellicht weer wat van de individuele christenen uit in woord en daad. Dan zijn zij wellicht weer en meer dan vandaag de dag in staat om aan te haken bij die laatste kenmerken van het zieleleven van onze medemens. Maar dan moeten wij eerst die hele grote afstand overwinnen om onvoorwaardelijk en zonder aanzien des persoons te leren leven. Dat is een enorme ommekeer. Dan wordt huisbezoek een van de meest belangrijke zaken in het gemeenteleven. Dan staan en gaan we als in ruimte gezette mensen midden onder het volk. Dan zullen we ons ertoe moeten zetten om geen acht te slaan op hun levensstijl en keuzen en taalgebruik maar ons daar letterlijk en geestelijk doorheen moeten gaan en gewoon met die mensen zelf in contact gaan. Dan moeten wij eerst in zelfverloochening het offer leren brengen om thuis, op het werk, op school, relaties op te bouwen en daarin te investeren. In de hoop dat God die zaken nog wil gebruiken in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid om zielen uit de duisternis te roepen en te leiden tot Zijn wonderbaar Licht. Dat vraagt geweldige offers. ‘Dat kan ik niet verzucht iemand wellicht.” Welaan … Wacht op de Heer, godvruchte schaar (veel of weinig) houd moed, Hij is getrouw ( de mens niet) de bron van alle goed. Zó daalt Zijn kracht op U in zwakheid neer. Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de Heer! Zie, Ik kom spoedig! Maranatha, Kom dan Heere Jezus, ja kom haastiglijk! Halleluja! Ik dank u voor uw aandacht! |