Hoe straks predikant in de kerk?

In het blad Woord & Dienst (28 jan. 2010) zeggen twee protestantse predikanten hoe ze straks de instroom van kandidaten zien. Dat moet beter dan nu. Anders loopt het beroepingswerk vast.

Het Ref. Dagblad stelde het plan aan de orde en voedde de discussie door in de kerk naar meningen te vragen.

 

Kandidaat PKN eerst in dienst landelijk kerkverband

Beroepbare kandidaten in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) moeten vanaf het moment van toelating tot de Evangeliebediening in dienst komen van de landelijke kerk voor een vast basistraktement en de beperkte duur van ten hoogste vijf jaar.

 

Vier basisjaren algemeen

Dat schrijven dr. H. de Leede, oud-rector van het protestants seminarium Hydepark, en ds. D. M. van de Linde, predikant te Rotterdam-Hillegersberg, in het jongste nummer van het blad Woord & Dienst, dat vrijdag verschijnt. Hun voorstel is, zo stellen zij, gebaseerd op een ervaring van vijftien leervicarissen (ds. Van de Linde) en zestien jaar rectoraat van het seminarium Hydepark (dr. De Leede).

Volgens de auteurs werkt het „klassieke beroepingswerk” niet meer, zeker niet bij beroepbare kandidaten. „Het is te open voor allerlei oneigenlijke ruis: willekeur, onprofessionaliteit, ongeestelijkheid, onkerkordelijkheid, onrechtvaardigheid ook. Met name de communicatie via internet is fnuikend voor een prudent proces dat het beroepingswerk in de klassieke zin is”, aldus de predikanten. „Bovendien is onze indruk dat vanwege het ‘overschot’ aan kandidaten, ook kerkenraden die het beroepingswerk in de klassieke zin gestalte geven een soort sollicitatieprocedure hanteren, waarbij wellicht uit angst, lange tijd een aantal kandidaten ‘in de race’ gehouden wordt.”

Op grond van dit alles leggen dr. De Leede en ds. Van de Linde een paar „conclusies” voor aan de protestantse synode „met ongevraagd advies”, zoals ze het noemen. Hun centrale stelling is dat de landelijke kerk een krachtiger verantwoordelijkheid moet nemen voor wie zij toelaat, zowel ambtelijk als arbeidsrechtelijk. Als de kerk bij het laatste toelatingsgesprek, het zogenoemde colloquium, ja zegt tegen een kandidaat moet zij ook de verantwoordelijkheid nemen voor de plaatsing van de kandidaat in een gemeente. „Dit vraagt een opwaardering van het colloquium. Of beter gezegd, de erkenning van hetgeen daar werkelijk gebeurt”, aldus de auteurs van het artikel in W&D. „Het „door de gemeente/de kerk en mitsdien door God zelf geroepen zijn” wordt bij het colloquium beantwoord, niet pas bij de bevestiging onder handoplegging op de eerste werkplek”, menen dr. De Leede en ds. Van de Linde. „Daar wordt die roeping bevestigd. Daarom is de bovenplaatselijke kerk ook –als het goed is– ambtelijk (classis, algemene classicale vergadering) aanwezig bij de handoplegging bij deze eerste bevestiging.”

Volgens de predikanten kan de Protestantse Kerk, onder de huidige kerkordelijke regelgeving en arbeidsrechtelijke verhoudingen, deze verantwoordelijkheid niet goed nemen. Daarom stellen ze de synode vijf vernieuwingen voor.

In de eerste plaats moeten beroepbare kandidaten vanaf het moment van toelating tot de Evangeliebediening in dienst komen van de landelijke kerk voor een vast basistraktement en de beperkte duur van ten hoogste vijf jaar. „Wij bepleiten hiermee een verdere stap op de weg naar een centraal werkgeverschap voor een bepaalde geoormerkte groep dienaren der kerk.”

In de tweede plaats moet de kerk een nieuwe vorm van kandidaatsgemeenten creĂ«ren. „Door financiĂ«le en rechtspositionele maatregelen maakt de bovenplaatselijke kerk (vanuit de regionale kerkelijke structuur te regelen) het aantrekkelijk voor gemeenten, om voor een periode of voor de lange termijn ”kandidaatsgemeente” te zijn.”

Het derde voorstel is dat de kandidaat in die periode be­geleiding en nascholing krijgt op het seminarium. Hieruit volgt de stap dat, na de afronding van deze eerste vier jaar, predikant en gemeente moeten beslissen of zij voor een verdere periode met elkaar verdergaan. „Bij een positieve beslissing betekent dit een nieuwe stap voor beide partijen, mede uitgedrukt in een hogere salarisschaal voor de predikant. De predikant komt nu arbeidsrechtelijk onder verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerkrentmeesters.”

Klik hier!

Als laatste bevelen de auteurs aan dat mochten gemeente en predikant tot de conclusie komen dat het beter is niet met elkaar verder te gaan, de predikant nog één jaar onder dezelfde voorwaarden in dienst blijft van de landelijke kerk.

„Naar onze overtuiging is een radicale oplossing noodzakelijk met het oog op een kerkelijk, gezond en eerlijk personeels­beleid van de kerk”, zo besluiten zij hun artikel. „Daarmee kan de voor dit ambt en beroep noodzakelijke roeping tot haar recht komen.”

 

Verbeter positie kandidaten kerk

De positie van kandidaten in de kerk moet zeker verbeteren, maar niet in alle opzichten zoals voorgesteld door dr. H. de Leede en ds. D. M. van de Linde. Dat stellen ds. H. J. Lam, voorzitter van de Gereformeerde Bond, ds. B. H. Weegink, algemeen secretaris van de Confessionele Vereniging (CV) en prof. dr. W. Verboom, emeritus hoogleraar theologie in een reactie.

De Leede, oud-rector van het protestants seminarium Hydepark en ds. D. M. van de Linde, predikant te Rotterdam-Hillegersberg, pleiten in het blad Woord & Dienst van deze week ervoor dat „beroepbare kandidaten in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) vanaf het moment van toelating tot de evangeliebediening in dienst moeten komen van de landelijke kerk voor een vast basistraktement en de beperkte duur van ten hoogste vijf jaar.”

Ds. Lam (Gereformeerde Bond) vindt dat er inderdaad „iets moet gebeuren.” Hij waardeert de poging van de beide predikanten, maar „weet niet of het op deze manier moet gebeuren.”

Hij erkent dat het klassieke beroepingswerk niet altijd goed werkt. „Het gaat er soms (onbewust) vleselijk aan toe”, aldus ds. Lam.

Tegelijkertijd ziet ds. Lam dat de kerkenraden vaak bij het beroepingswerk wel een antenne hebben voor het al dan niet beroepen van een bepaalde kandidaat. De predikant vraagt zich af of men in de voorstellen genoeg denkt vanuit de plaatselijke gemeente. „Zal de landelijke kerk niet te veel zeggenschap krijgen?”

Ds. Lam vreest dat met dit voorstel problemen opgeschoven worden. „Als na vier jaar blijkt dat kandidaat en gemeente niet bij elkaar passen, wat dan?” vraagt de predikant.

Ds. Weegink van de Confessionele Vereniging is voorzichtig optimistisch en vindt het plan van dr. De Leede „zo gek nog niet.” Hij vraagt aandacht voor het probleem van de wachtlijsten van kandidaten. Er is volgens hem reden genoeg om te helpen.

De algemeen secretaris van de CV stelt voor de ideeën van dr. De Leede te verwerken in de voorstellen van de commissie-Veerman die voor de synode bezig is met loopbaanontwikkeling van predikanten.

Klik hier!

Ds. Weegink ziet als gevaar dat de zelfstandige positie van de predikant verdwijnt als de landelijke kerk steeds meer voorgangers direct onder zich krijgt.

Prof. Verboom herkent het door dr. De Leede beschreven probleem. „Studenten raken buiten beeld en voelen pijn. Kerkenraden lopen achter elkaar aan bij het beroepingswerk. Er moet iets gebeuren.”

Hij vraagt zich echter af of het probleem op een organisatorische wijze opgelost kan worden. „De spa moet dieper.”Klik hier!

Beroepingswerk PKN loopt vast

„Waarom krijgt de ene predikant het ene beroep na het andere en anderen geen een?”

De PKN moet de voorstellen van dr. H. de Leede en ds. D. M. van de Linde over het beroepingswerk zeer serieus nemen, vindt prof. dr. W. Verboom (emeritus hoogleraar geschiedenis van het gereformeerd protestantisme aan de Universiteit Leiden).

Grondige bezinning is nodig, niet alleen op de organisatorische, maar ook op de geestelijke aspecten. Ik prijs het initiatief van de collega’s De Leede en Van de Linde (RD van woensdag). Volgens mijn waarneming zijn er heel wat kortsluitingen te noemen als het gaat om de kandidaten die beroepbaar zijn in de Protestantse Kerk in Nederland. Het is soms dramatisch wat er allemaal met hen en hun gezinnen gebeurt. Graag draag ik een aantal –voorlopige– kanttekeningen aan.

Eerst een paar theologische vragen. Als de collega’s voorstellen dat een kandidaat onder de verantwoordelijkheid valt van de landelijke kerk, betekent dit mijns inziens dat het colloquium van karakter verandert. De roeping van God tot het ambt wordt dan daar al beantwoord. Maar wat is dan de positie van de toegelaten kandidaat? Hij is nog geen predikant, terwijl de roeping al wel beantwoord is. Dat kan volgens mij niet. De beantwoording van de roeping (door de gemeente en mitsdien door God zelf) gebeurt als de vragen in de bevestigingsdienst worden beantwoord. Daarna vindt de handoplegging plaats.

Dat de kerk de kandidaat tewerkstelt in een plaatselijke gemeente roept weer andere vragen op. Ontneemt deze handelswijze de kerkenraad niet de vrijheid, bevoegdheid en verantwoordelijkheid die hij als ambtelijke vergadering heeft? Hoe zullen kerkenraden hierop reageren?

Vervolgens komt de vraag op hoe het verder moet als het na de eerste vier jaar toch niet goed gaat. Kan de landelijke kerk het dan wel waarmaken om te zorgen voor iemand die dan al vier jaar predikant is? Hier zit niet alleen een financiële kant aan, maar ook een geestelijke. Worden de problemen zo wel echt opgelost?

Er zijn kandidaten bij wie het allemaal prima verloopt rond de beroepbaarstelling na het colloquium. Maar hoe zit het als het anders gaat? Dat kan aan de kandidaat liggen. Maar ook de kerkenraad kan de oorzaak zijn – ik zeg dit met schroom. Is er niet veel onvermogen om het gecompliceerde veld van het beroepingswerk te overzien? Er is veel meer aan de hand rond het beroepingswerk –ook communicatief bezien– dan het punt van De Leede en Van de Linde.

Gaat het overal wel zo geestelijk toe? Waarom krijgt de ene predikant het ene beroep na het andere en anderen geen een? Maar ook: hoe komt het dat een kerkenraad soms ettelijke malen teleurgesteld moet horen van predikanten: ik neem geen beroep in overweging? Hoever zijn we dan nog af van het alternatief, solliciteren? En soms gaat het gewoon niet meer tussen kerkenraad/gemeente en predikant.

Mijn waarneming is: we lopen vast. Er is een grondige bezinning nodig op het hele beroepingswerk. Maar de spa moet dieper dan het organisatorische. De kerk moet daartoe een aanzet geven. Zij dient de voorstellen van De Leede en Van de Linde uiterst serieus te nemen. Ik vrees dat er anders ongelukken gebeuren. Of gebeuren ze nu al?

Â