Bewogen strijders voor kerkherstel
Geschreven door Klaas van der Zwaag, Reformatorisch Dagblad   

Bewogen strijders voor kerkherstel. Zo typeert dr. J. G. Barnhoorn uit Nunspeet de Réveilfiguren Da Costa en Groen van Prinsterer.
Promotie: ds. J.G. Barnhoorn (alias Johan van Strijen) is nu doctor.

Dr. J. G. Barnhoorn

De hervormde emeritus-predikant promoveerde donderdag 3 september in Amsterdam op een proefschrift over de briefwisseling tussen beide figuren uit de negentiende eeuw. „De tegenstelling tussen Da Costa en Groen is soms sterk geaccentueerd. Beiden hebben echter de moed gehad de geest der eeuw te lijf te gaan, vaak in een eenzame positie. Daarnaast waren zij voorbeelden van praktische vroomheid.”

In zijn proefschrift ”Amicitia Christiana. Da Costa en Groen van Prinsterer in hun briefwisseling (1830-1860)” (Uitg. De Banier, Apeldoorn) verkent de promovendus de langdurige en heftige strijd in de 19e eeuw om het herstel van de orthodoxie in de vaderlandse kerk, het debat met de Groninger en moderne theologie en de doorwerking van het Réveil in staat, politiek en maatschappij. Hij geeft een beeld van een bewogen periode in de geschiedenis van kerkelijk en staatkundig Nederland waarin Groen van Prinsterer en Da Costa ieder voor zich tot een eigen uitwerking van hun beider ideaal kwamen: de doorwerking van orthodox-christelijke beginselen op het terrein van kerk en samenleving.

Medisch of juridisch?

Het onderscheid tussen Da Costa en Groen met betrekking tot hun streven naar kerkherstel wordt over het algemeen als volgt onder woorden gebracht. Da Costa was voor een ”medische” benadering van de dwalingen in de kerk (geen tucht maar gesprek en getuigenis, met als doel genezing van de dwalende). Groen van Prinsterer stond een ”juridische” benadering voor (de dwaling heeft geen recht van bestaan in de kerk, dus de dwalende dient ”rechtens” uit de kerk verwijderd te worden). Daarbij verwees Groen van Prinsterer vooral naar het verbindende karakter van de belijdenisgeschriften als grondslag van de kerk.

Da Costa legde andere accenten. Hij maakte onderscheid tussen ”kerkleer” en ”leer des Heeren’” en legde sterke nadruk op begrippen als ”leven” en ”ontwikkeling”. Hij bepleitte een herziening en uitbouw (”verversching”) van de belijdenisgeschriften. Dr. Barnhoorn: „Da Costa was het erom te doen de voortgaande werking van de Heilige Geest in het licht te stellen. De belijdenisgeschriften van onze kerk werden uitbundig door hem geprezen, maar, zo beklemtoonde hij telkens weer, zij staan niet op dezelfde hoogte als de Heilige Schrift. Wij mogen nooit zelfs maar de schijn wekken dat wij ook maar één confessie met het Woord Gods op één lijn willen plaatsen.”

Er valt, aldus Da Costa, in de openbaring een ontwikkeling, een progressie waar te nemen. Er worden telkens weer nieuwe ontdekkingen in het Woord gedaan: „Leven is beweging, is ontwikkeling, geen stilstaan, geen achteruitgang.” Dr. Barnhoorn: „Door dit steeds weer op de voorgrond te stellen wekte Da Costa ten onrechte de indruk, dat hij sterk met Groen van gevoelen verschilde. Hij heeft er dan ook verkeerd aan gedaan het ”adres”, aan de synode door Groen en zes andere ”Haagsche Heeren” (1842) en het ”Adres aan de Hervormde Gemeente” (1843) niet te ondertekenen. Was hij benauwd voor formulierdwang, ook Groen moest hier niets van hebben!”

Volle Evangelie

Dr. Barnhoorn benadrukt de gemeenschappelijke drijfveer van beide figuren. „Ze zijn beide mensen van oprechte en praktische vroomheid. Met praktische vroomheid bedoel ik wat in de negentiende eeuw wel is aangeduid als ”het volle Evangelie”. Vandaag de dag heeft deze term een heel andere lading. In Réveilkringen echter stond deze term voor een vroomheid die het Evangelie handen en voeten geeft: het Bijbels getuigenis heeft ook met politiek, economie en samenleving te maken. De standpunten van Da Costa en Groen zijn beide authentiek en legitiem. Beiden hielden vast aan de overlevering van de voorvaderen.”

Was Da Costa volstrekt afkerig van starheid, dit geldt niet minder van Groen van Prinsterer. „Hij was een levend gelovige, fel gekant tegen ”een orthodoxie die klanken als waarborgen beschouwt”, zo schrijft hij in het ”Adres aan de Hervormde Gemeente”. Hij was volstrekt eensgeestes met allen die aan de fundamentele waarheden van het christelijk geloof vasthielden. Ik heb dan ook moeite met het verwijt dat Groen confessionalistisch geweest zou zijn. Dit mag dan van sommige van zijn volgelingen gelden, op hemzelf is het beslist niet van toepassing. Een sprekend bewijs hiervan is zijn grote waardering voor de ethische predikant J. H. Gunning, bij wie hij graag naar de kerk ging en die ook de rouwdienst van Groen geleid heeft.”

Vergeetboek

Dr. Barnhoorn constateert dat Da Costa nagenoeg in het vergeetboek is geraakt. Dit hangt volgens hem samen met het feit dat Da Costa, afgezien van zijn kortstondige loopbaan in de advocatuur, steeds ambteloos burger is gebleven. Groen daarentegen nam de jaren door als volksvertegenwoordiger een vooraanstaande plaats op het politieke toneel in. Wel genoot Da Costa als dichter veel waardering, maar ook op dit punt is zijn faam geheel verdwenen.

Ook Groen van Prinsterer is echter niet ontkomen aan het isolement. Wist hij zich reeds tijdens zijn leven een „roepende in de woestijn”, die ook door geestverwanten werd misverstaan, vandaag de dag wordt hij slechts in kleine kring nog als een autoriteit gezien, aldus dr. Barnhoorn. „De belangstelling voor zijn denkbeelden is in de loop van de jaren gaandeweg afgenomen, niet alleen door de ingrijpende veranderingen die zich op maatschappelijk en politiek terrein hebben voltrokken, maar ook door de vaak scherpe kritiek van geestverwanten die sinds het midden van de vorige eeuw is losgekomen.”

Dr. Barnhoorn wijt dit in een belangrijke mate aan het feit dat wij vandaag in een heel andere tijd leven. „Een praktische toepassing van Groens denkbeelden over de verhouding tussen kerk en staat is nu een volstrekte illusie. Dit neemt echter niet weg dat Groen nog steeds zeer actueel is.” De emeritus predikant is blij dat Groens hoofdwerk, ”Ongeloof en Revolutie”, enige tijd geleden opnieuw in hedendaags Nederlands is uitgegeven. „Groen heeft spijkers met koppen geslagen. Relevant is vooral zijn verbinding van openbaring en geschiedenis. Het ”Er staat geschreven” en ”Er is geschied” zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. En dan de nauwe samenhang tussen godsdienst en zedelijkheid, die Groen zo sterk benadrukte. Onze tijd laat duidelijk zien dat de achteruitgang van de kerkgang en de teloorgang van waarden en normen hand in hand gaan.”

Ethischen

Da Costa’s politieke ontwikkeling van contra- naar antirevolutionair was geen eindstation, maar een doorgangsstadium, stelt de promovendus. Het proces is verdergegaan, en wel in de richting van de ethische theologie, wat overigens niet betekent dat Da Costa tot de ”ethischen” is gaan behoren.

Als confessioneel predikant kan dr. Barnhoorn een heel eind met Da Costa meegaan. Net als Da Costa heeft hij grote waardering voor Daniël Chantepie de la Saussaye, de vader van de ethische richting. „Met wie La Saussaye ook in gesprek was, steeds was hij erop uit bij de ander een waarheidselement te vinden, dat hij recht wilde doen. Hij wilde orthodox-gereformeerd zijn, maar met erkenning van de legitimiteit en de drijfveren van de moderniteit, wier vragen hij volstrekt ernstig nam.”

La Saussaye wist zich op zijn beurt hecht verbonden met Da Costa en Groen, maar toch ging hij een andere, een eenzame weg. „Op deze weg werd hij een eind weegs vergezeld door Da Costa, die, met zijn sterke nadruk op de noodzaak van ”versheid” en ”ontwikkeling”, wellicht dichter bij hem stond dan hij zichzelf bewust was. Het is alleszins de vraag of de kloof die Da Costa naar eigen zeggen van La Saussaye scheidde, wel zo diep was als hij liet voorkomen.”

Nog steeds vrijzinnigheid

De situatie anno 2009 laat zien dat de moderne richting, die door Da Costa en Groen zo krachtig bestreden is, zich nog steeds laat gelden. Dr. Barnhoorn: „Je staat er versteld van, hoe snel het verval zich heeft doorgezet. Als ik kennis neem van de opvattingen van ds. K. Hendrikse, moet ik steevast denken aan wat Da Costa aan de moderne predikanten, Meyboom en Zaalberg adviseerde, namelijk om de kerk vrijwillig te verlaten.”

Welke benadering heeft uiteindelijk het meeste vrucht opgeleverd, de juridische of de medische?

„Het concrete effect van de medische weg is moeilijker te meten dan de juridische, die de nadruk legt op het nemen van tuchtmaatregelen. De medische benadering is meer gericht op Jezus’ vermaning het koren en onkruid samen te laten opgroeien tot de oogst. Tegenwoordig hoort men nogal eens zeggen: een mens moet met zijn tijd meegaan. In de praktijk betekent dit een keuze voor aangepast christendom. Dat is echter niet in de geest van het Réveil. Om met Da Costa te spreken: „In zijn wezen vrucht der tijden, in zijn vorm van deze tijd”.

Da Costa en Groen hebben steeds gewezen op de heilzame invloed van een waarlijk gereformeerde theologie, maar starheid en bekrompenheid waren hun volkomen vreemd. Het geloof aan de doorwerking van de Heilige Geest maakt het ten enenmale onmogelijk zich voor een angstvallig vasthouden aan het verleden op hen te beroepen. Da Costa heeft het vaak herhaald: God herstelt nooit het verleden als zodanig, maar alleen door middel van een herleving in een nieuwe toekomst.”

  

Groen: Historie ten diepste kerkhistorie

 

Van de webredactie: In een korte serie over Geloof en geschiedenis belichtte het Reformatorisch Dagblad het werk van de christen-historici. Op 8 januari 2010 interviewt A. de Heer de onlangs op Groen van Prinsterer en Da Costa gepromoveerde dr. Johan Barnhoorn:

 

UTRECHT – Hoe gekleurd is onze geschiedschrijving? In het kader van een door de Vereniging van Christen-Historici (VCH) belegde bijeenkomst over dit thema, vandaag in Utrecht, komen deze week vijf historici aan het woord.
"Ook op het pad der Historie, zij Gods Woord een lamp voor onzen voet. Zonder de H. Schrift blijft de wereldgeschiedenis raadsel; door het geloof, weten wij haar inhoud en doel; de vervulling der paradijs-belofte, de zegepraal van den Messias over den verleider. – Christus, gekomen om zijne ziel te stellen tot een rantsoen voor velen, zal wederkomen om te oordelen de levenden en de dooden. Aan de vorming, handhaving en verheerlijking zijner Gemeente, zijn de lotgevallen van personen en Natiën, door alle geslachten en eeuwen, ondergeschikt.”
Het citaat, afkomstig van mr. G. Groen van Prinsterer (1801-1876), is te lezen in hoofdstuk 10 van de dissertatie ”Amicitia Christiana” waarop de hervormde emeritus predikant J. G. Barnhoorn vorig jaar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam promoveerde. In dit hoofdstuk, ”De zin van de geschiedenis”, behandelt hij de geschiedbeschouwing van Groen van Prinsterer en Isaäc da Costa.

„Heel opmerkelijk”, zegt dr. Barnhoorn (77) in zijn woning in Nunspeet, „eigenlijk ook wel teleurstellend, vond ik het dat juist over dit hoofdstuk tijdens de promotie niet één vraag is gesteld. Hoofdstuk 10 is voor mij het merg van mijn boek. Om het met Hendrik Pierson te zeggen: „De Heer regeert! Zijn Koninkrijk staat vast, Zijn heerschappij omvat den loop der tijden.” Bij die wetenschap lééfden Groen van Prinsterer en zijn Reveilvrienden. Voor Groen was alle geschiedenis als het erop aankomt kerkgeschiedenis.”

Hoe staat u hierin?

„Daar zit veel in. Ik ben van mening dat als je dat als christelijk historicus níét gelooft, je je moet afvragen hoe het er met je christelijk geloof voorstaat. Dan bedoel ik niet dat een christenhistoricus christelijke geschiedschrijving beoefent aan de hand van de Bijbel als een arsenaal van bewijsplaatsen. Met de reformatoren zeg ik: Ik belijd dat de Heere regeert, maar dat is niet altijd zomaar aan te wijzen. Wij mogen ons er echter wel door laten troosten.”

Is neutrale geschiedschrijving mogelijk?

„Nee, dat lijkt mij niet mogelijk. Ik kan me zelfs niet voorstellen dat er mensen zijn die denken dat het wel mogelijk is. Je brengt altijd jezelf mee.

In een artikel in het boek ”Geleerd en gelovig” las ik dat de geschiedschrijving van het communistische tijdperk vrijwel uitsluitend in handen is van communisten en ex-communisten. Dat is veelzeggend. Overigens heb ik de indruk dat er door de jaren heen steeds meer oog is gekomen voor het feit dat neutrale geschiedschrijving niet mogelijk is.”

En christelijke geschiedschrijving?

„Die bestaat wel. Maar dat wil niet zeggen dat wij mensen Gods hand in de geschiedenis zomaar kunnen aanwijzen. In het verleden is dat wel gebeurd. Bijvoorbeeld in 1588, toen de Armada ten onderging: Gods hand had hem verstrooid.

Maar ook in gebeurtenissen als Afscheiding en Doleantie, of de Vrijmaking in 1944. Anderen hebben zich vertwijfeld afgevraagd hoe het mógelijk was dat mensen in het allerdonkerste oorlogsjaar een kerkscheuring konden bewerkstelligen.

Anderzijds: als SGP-leider Van der Vlies in het kader van de minarettendiscussie aanvoert dat we niet moeten vergeten dat God Zélf de hand heeft gehad in het ontstaan van ons land, dan vind ik dat volstrekt legitiem. Waarbij christelijke geschiedschrijving altijd een zaak van geloofblijft.”

Overigens was ook Groen van Prinsterer, anders dan veelal wordt gedacht, erg behoedzaam in het aanwijzen van Gods hand in specifieke gebeurtenissen”, zegt dr. Barnhoorn. „Sommigen van zijn vrienden hebben het hem bijvoorbeeld kwalijk genomen dat hij in zijn ”Handboek der geschiedenis van het vaderland” met geen woord repte over de „dubbele ebbe” in juli 1672, die door anderen juist als een wonder werd beschouwd.

Klik hier!Zelf moet ik in dit verband nogal eens denken aan de woorden uit Prediker 5:1: „Wees niet te snel met uw mond en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in de hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.” Opvallend is bijvoorbeeld, je merkt dat op huisbezoeken ook, dat mensen veel sneller geneigd zijn om Gods hand te zien in positieve gebeurtenissen dan in tegenspoed.”

Kunt u toch enkele gebeurtenissen in het verleden noemen waarin u Gods hand ziet?

„Ik kan me niet anders voorstellen dan dat je van de Reformatie zegt: Daar was de Heere God aan het werk.

En ook denk ik hier aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ik was toen nog kind, maar hoe veel indruk dát op mij heeft gemaakt. ”Gods vijanden vergaan”, luidde het opschrift van de preek die dr. K. H. Miskotte op 9 mei 1945 hield in een dankdienst in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Ik vind het rondweg verbijsterend dat ik bij de dodenherdenking hier in Nunspeet zelden of nooit ook maar één collega-predikant aantref.

Als het thema ”Gods hand in de geschiedenis” ter sprake komt, zegt de emeritus predikant, „moet ik nogal eens denken aan de mogelijkheid –gesteld in ”Zohar”, een werk uit de Joodse mystiek– dat de gedragingen van de mensen voor God een reden zijn om Zich terug te trekken. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Wat is er nog over van het christendom in Klein-Azië en Noord-Afrika, waar de kerk in de eerste eeuwen van onze jaartelling heeft gebloeid?”