| Over Calvijn en Darwin, Knevel en het evolutionisme |
|
2009 is het Calvijnjaar, maar ook het jaar van Darwin. Calvijn werd in 1509 in Noyon (Frankrijk) geboren. Darwin driehonderd jaar later in Shrewsbury (Engeland). Calvijn werd bekend als reformator van de kerk. Bekend ook vanwege zijn geschriften, waaronder zijn beroemde Institutie en zijn, nog altijd in sommige kringen geraadpleegde bijbelcommentaar. Darwin is bekend geworden door zijn theorie dat soorten evolueren. Dieren en planten hebben zich ontwikkeld uit voorgaande organismen. Daarbij is er sprake van ‘survival of the fittest’, de sterkste blijft over. Zijn bekendste boek is Of the Origin of Species (Over de oorsprong van soorten).
In het televisieprogramma ’t Zal je maar gebeuren van de Evangelische Omroep verklaarde Andries Knevel, EO-kopstuk, zich onlangs – wat theatraal en niet zonder zelfingenomenheid - tot theïstisch evolutionist. Eerst was Knevel overtuigd creationist – dat wil zeggen: hij geloofde dat God de hemel en de aarde met alles erop en alles eraan in zes dagen van vierentwintig uur heeft geschapen. Later was hij korte tijd aanhanger van Intelligent Design, de gedachte dat er achter de werkelijkheid, de schepping, een intelligent ontwerp zit. Nú is Knevel theïstisch evolutionist (al noemt hij dat zelf zo niet), dat wil zeggen dat hij de theorie van Darwin aanvaardt, maar daar wel nadrukkelijk God achter ziet. De schepping is niet toevallig ontstaan. Evolutie, jazeker, maar niet zonder God.
Knevel heeft met zijn ‘belijdenis’ heel wat teweeggebracht. Sommigen waren gechoqueerd. Als Knevel niet meer in een schepping in zes dagen gelooft, hoe kan hij dan nog wel geloven in een zondeval? En is de opstanding uit de dood nog wel te geloven? Dat is immers toch minstens zo onvoorstelbaar als een zesdaagse schepping? Wie een steen uit het theologische bouwwerk trekt, moet goed weten wat hij doet. De kans is groot dat het hele stelsel omver gaat en dat je niets meer overhoudt, is dan de redenering. ‘Schokkend’ vonden sommigen de uitspraak van Knevel en zegden hun lidmaatschap van de EO op. Anderen, waaronder Huub Oosterhuis, zijn Knevel dankbaar. Oosterhuis schreef: ‘Dank voor uw getuigenis van 'voortschrijdend inzicht'. Velen vóór u, in alle stromingen van alle kerken, is het zo vergaan. Mij lijkt, dat u hiermee uw 'kinderen en kijkers' een grote dienst hebt bewezen’ (Trouw, 7 februari 2009).
Ik kan de angst van gelovigen wel begrijpen, dat wanneer je niet meer in een zesdaagse schepping gelooft, de vraag is: wat is het volgende wat onderuit gehaald wordt. Wat houdt het dan nog wel? Eigenlijk is het angst voor de wetenschap, die tegen het geloof wordt uitgespeeld, als zouden het twee onverenigbare grootheden zijn.
En zo kom ik bij Calvijn. We kennen hem als een geharnast strijder voor de waarheid en het ware geloof. Hij twijfelt geen moment aan het gezag van de Heilige Schrift, van de bijbel. Ook niet aan een schepping in zes dagen. God had de wereld volgens hem ook in een ogenblik kunnen scheppen, maar Hij schiep voor ons begrip de wereld in zes dagen. Calvijn schrijft dit in zowel zijn Institutie (I, XIV, 1) als zijn commentaar op Genesis. Calvijn gaat ook in op de vraag die sommigen stellen, wat God deed voor de schepping. Hij antwoordt met een citaat uit Augustinus’ Confessiones (Belijdenissen): ‘Hij schiep de hel voor nieuwsgierige mensen’.
Toch is Calvijn niet tegen wetenschappelijk onderzoek (die toch gevoed wordt uit nieuwsgierigheid). In zijn commentaar op Genesis schrijft hij bij vers 16, dat de wetenschappers ‘met grote moeite [onderzoeken] wat met de scherpzinnigheid van het menselijke vernuft kan bereikt worden. Nu is daarom die ijver niet af te keuren, noch de wetenschap te veroordelen, gelijk sommige krankzinnigen stoutmoedig alles wat hun onbekend is, plegen te verwerpen. Want de sterrenkunde is niet alleen een aangename wetenschap, maar ook een bijzonder nuttige, en het kan niet worden ontkend, of die kunst ontvouwt de bewonderenswaardige wijsheid Gods.’ Geloof en wetenschap laten zich voor hem dus wél verenigen.
Het gaat Calvijn erom, iets van God op het spoor te komen, ja God zelf. Ook in ons wetenschappelijk bezig zijn. Gods wijsheid en zijn vaderliefde, om iets te noemen. Zo schrijft hij: ‘Juist in de orde der dingen moeten wij naarstig waarnemen Gods vaderliefde jegens het menselijk geslacht, dat Hij Adam niet eerder geschapen heeft, dan nadat Hij de wereld met overvloed van alle goede dingen rijkelijk voorzien had’ (Inst. I, XIV, 2).
Zouden theïstische evolutionisten en creationisten elkaar op dit punt niet kunnen vinden? Dat is toch de ware orthodoxie, dat we elkaar vinden in de echte aanbidding van een wijze en liefhebbende God die – hoe dan ook – begin en einde van ons bestaan is! Kortom: hoe we ook over schepping of evolutie denken, laten we elkaar niet verketteren, maar samen de lofzang aanheffen. Met gezang 479 bijvoorbeeld:
Aan U behoort, o Heer der heren,
L. van Rikxoort |
Aan zowel Calvijn als Darwin besteedden en besteden de media ruim aandacht. Ook de uitgeverswereld laat zich niet onbetuigd. Over Darwin verscheen een biografie. Over en van Calvijn verschenen verscheidene boeken en zelfs een glossy: Calvijn! Op de website van Trouw kunnen we onze C-factor bepalen. Boeiend allemaal. Bijzonder is wel, dat figuren die 500 of 200 jaar geleden geboren werden en hun gedachtegoed nu nog zoveel mensen iets te zeggen hebben. En wat hun ideeën, gedachten, nu nog oproepen.